Het voorstel voor “robuuste jeugdzorgregio’s” toont een technocratische benadering van een fundamenteel bestuurlijk vraagstuk. Het voorstel erkent terecht dat “robuustheid” op verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd, maar de gekozen criteria focussen primair op organisatorische en bestuurlijke aspecten in plaats van op de kwaliteit en effectiviteit van de jeugdzorg zelf.

  • Het voorstel adresseert reële problemen in de huidige jeugdzorg:
  • Fragmentatie van inkoop en aanbod
  • Onvoldoende onderhandelingsmacht van kleine gemeenten
  • Inefficiënte contractering door gebrek aan expertise
  • Ongelijke toegang tot gespecialiseerde zorg

De vijf criteria (visie, samenwerking, structuur, inkoop, schaal) bieden een coherent raamwerk voor beoordeling van regionale samenwerking. De methodiek met zelfscan en verdiepende gesprekken is pragmatisch opgezet.

Het document erkent expliciet de “onontkoombare subjectiviteit” in de beoordeling en de noodzaak van “fingerspitzengefühl”. Dit toont bewustzijn van de beperkingen van een puur technische benadering.

Het dilemma: Grotere regio’s kunnen inderdaad meer gespecialiseerde zorg organiseren, maar hoe groter de schaal, hoe verder weg van het kind en gezin. Het voorstel mist criteria voor:

  • Toegankelijkheid voor families (reisafstand, bereikbaarheid)
  • Lokale inbedding en aansluiting op wijkteams
  • Flexibiliteit om in te spelen op lokale behoeften

Een robuuste regio kan excellent gespecialiseerde ADHD-zorg inkopen, maar als gezinnen hiervoor 50 kilometer moeten reizen terwijl lokale hulp beter zou aansluiten bij school en vrienden, is de netto-effectiviteit twijfelachtig.

De paradox: Het voorstel streeft naar gestandaardiseerde robuustheid, maar jeugdzorg vraagt juist om contextspecifiek maatwerk. Verschillende regio’s hebben verschillende uitdagingen:

  • Stedelijke regio’s: diversiteit, complexe gezinsproblematiek
  • Landelijke regio’s: bereikbaarheid, kleinschaligheid
  • Krimpgebieden: behoud van voorzieningen, vergrijzing

Het voorstel had verschillende robuustheidsmodellen kunnen ontwikkelen voor verschillende contexten in plaats van één universeel model.

Kernprobleem: Het voorstel beoordeelt regio’s op bestuurlijke samenwerking (Wgr-structuren, financieringsafspraken, besluitvaardigheid), maar zegt weinig over:

  • Zorginhoudelijke kwaliteit en resultaten
  • Cliënttevredenheid en ervaringen van gezinnen
  • Wachttijden en toegankelijkheid
  • Preventie en vroegsignalering

Een regio kan “robuust” zijn volgens dit kader (goede bestuurlijke afspraken, schaal, inkoop), maar tegelijkertijd slechte zorgresultaten hebben.

Lessen uit vergelijkbare hervormingen

De concentratie van ziekenhuiszorg heeft inderdaad kwaliteitsverbetering gebracht voor complexe behandelingen, maar ook:

  • Toegankelijkheidsproblemen voor patiënten
  • Verlies van lokale zorgrelaties
  • Hogere kosten door reistijd en logistiek

Parallel met jeugdzorg: Gespecialiseerde jeugdzorg kan baat hebben bij schaal, maar basisjeugdzorg vraagt om nabijheid en lokale inbedding.

De regionalisering van GGD’s toont dat verplichte samenwerking kan werken, mits:

  • Duidelijke taakverdeling tussen regionaal en lokaal niveau
  • Behoud van lokale toegankelijkheid voor basistaken
  • Sterke governance en democratische legitimiteit

In plaats van één model: Ontwikkel verschillende robuustheidsmodellen:

  • Metropolitane regio’s: focus op specialisatie en efficiency
  • Landelijke regio’s: focus op bereikbaarheid en flexibiliteit
  • Grensoverschrijdende samenwerking: voor zeer gespecialiseerde zorg

Combineer schaalvoordelen met nabijheid:

  • Regionaal: inkoop hoogspecialistische zorg, expertise-ontwikkeling
  • Lokaal: toegang, casusregie, preventie, aansluiting op onderwijs/wijkteams
  • Bovenregionaal: zeldzame specialismen, kennisontwikkeling

Voeg zorginhoudelijke criteria toe:

  • Resultaatindicatoren: wachttijden, doorlooptijden, uitkomsten
  • Ervaringsindicatoren: cliënttevredenheid, toegankelijkheid
  • Integratiecriteria: samenwerking met onderwijs, zorg, veiligheid
  • Innovatiecriteria: preventie, digitale zorg, nieuwe methodieken

Vermijd “big bang”-implementatie:

  • Pilot-regio’s met verschillende modellen
  • Evaluatie na 2-3 jaar op zowel bestuurlijk als zorginhoudelijk vlak
  • Bijsturing op basis van ervaringen en resultaten

Vrijwillige samenwerking waar mogelijk, verplichte waar noodzakelijk

Versterk politieke betrokkenheid:

  • Gemeenteraden blijven betrokken bij regionale keuzes
  • Transparante rapportage over kosten, kwaliteit en toegankelijkheid
  • Cliëntenparticipatie in governance van regionale samenwerking

Verplichte samenwerking als middel, Niet als doel.

Verplichte samenwerking kan de jeugdzorg verbeteren, maar alleen onder de juiste voorwaarden.

Gezamenlijke inkoop van hoogspecialistische zorg

  • Kennisdeling en expertise-ontwikkeling
  • Risicospreiding bij kostbare en zeldzame zorgvormen
  • Professionalisering van contractmanagement
  • Verlies van nabijheid en lokale maatwerk
  • Bureaucratisering en verlies van wendbaarheid
  • Zwakkere democratische sturing door bestuurlijke complexiteit
  • Focus op bestuurlijke logica ten koste van zorginhoudelijke kwaliteit

Het huidige voorstel focust te veel op bestuurlijke robuustheid en te weinig op functionele effectiviteit. Een betere vraag dan “Is deze regio robuust?” is: “Zorgt deze organisatievorm ervoor dat kinderen en gezinnen betere, toegankelijker en effectiever hulp krijgen?”

Gebruik het voorstel als startpunt, maar breid het uit met zorginhoudelijke criteria en verschillende organisatiemodellen die passen bij de diversiteit van Nederlandse regio’s. Verplichte samenwerking kan een instrument zijn voor betere jeugdzorg, maar is geen doel op zich.

De ultieme test is niet of regio’s “robuust” zijn volgens bestuurlijke criteria, maar of kinderen en gezinnen beter geholpen worden. Dat vereist een meer genuanceerde en contextgevoelige benadering dan het huidige “one-size-fits-all” model.

De echte test is niet of gemeenten “robuust” samenwerken volgens Haagse criteria, maar of Sanne, Kevin en hun families daadwerkelijk betere hulp krijgen.

De metafoor van het gedwongen huwelijk raakt de kern van wat er mis kan gaan met verplichte regionale samenwerking in de jeugdzorg. Net zoals partners die alleen bij elkaar blijven “voor de kinderen,” maar eigenlijk op elkaar zijn uitgekeken, kunnen gemeenten gevangen raken in dysfunctionele samenwerkingsrelaties die uiteindelijk juist de kinderen benadelen die ze zouden moeten helpen.

De onwillige partners: Gemeenten met verschillende DNA’s.

Grote centrumgemeente (de dominante partner): “Wij hebben de expertise, de schaal, de middelen”

  • Ziet kleine gemeenten als lastige aanhang die mee moeten liften
  • Neigt naar uniformiteit en efficiency
  • Verliest geduld met lokale eigenwijsheden

Kleine randgemeente (de afhankelijke partner): “Wij kennen onze inwoners het best”

  • Voelt zich overruled in regionale besluitvorming
  • Mist invloed op dienstverlening aan eigen kinderen
  • Ervaart verlies van identiteit en democratische zeggenschap

Net zoals ongelukkige echtparen in het openbaar nog de harmonieuze relatie spelen, ontstaat er een laag van bestuurlijk theater:

  • Vergaderrituelen waarin iedereen braaf instemt, maar buiten de zaal klaagt
  • Mooie beleidsdocumenten over “gezamenlijke visies” die niemand echt gedragen voelt
  • Procedurele harmonie terwijl inhoudelijke conflicten sudderen
  • Financiële ruzies die worden weggemoffeld in technische discussies

Het Kind dat tussen wal en schip valt

  • Lokale professional: “Dit kind heeft specialistische hulp nodig”
  • Regionale inkoper: “Dat valt niet onder ons contract”
  • Resultaat: Kind blijft weken wachten terwijl systemen onderhandelen

Voor de regionalisatie: Lokale jeugdpsycholoog op 10 minuten fietsen

Na de regionalisatie: Gespecialiseerde zorg op 45 minuten rijden

Gevolg: Gezin haakt af, problemen verergeren

De lokale professional die machteloos wordt

  • Wijkteam kent het gezin al jaren
  • Moet doorverwijzen naar onbekende regionale partners
  • Verliest grip op het dossier en de relatie
  • Frustratie groeit, werkplezier daalt

Fase 1: De gedwongen verloving: “Het moet van VWS, anders krijgen we sancties”

  • Externe druk dwingt tot samenwerking
  • Partijen zoeken kleinste gemene deler
  • Weerstand wordt weggedrukt door tijdsdruk

Fase 2: De huwelijksreis (Honeymoon: “Misschien valt het wel mee”

  • Eerste gezamenlijke projecten lijken succesvol
  • Media-aandacht voor “innovatieve samenwerking”
  • Problemen worden nog toegeschreven aan “kinderziektes”

Fase 3: De realiteit bijt (Crisis): “Dit werkt helemaal niet zoals beloofd”

  • Eerste grote calamiteit waarbij systemen falen
  • Financiële discussies worden bitter
  • Politieke spanningen lopen op
  • Professionals uiten frustratie

Fase 4: Blijven voor de kinderen (Machteloosheid): “We kunnen niet meer terug, we moeten het laten werken”

  • Te veel geïnvesteerd om te stoppen
  • Angst voor chaos bij opheffing
  • Rituele herbevestiging van samenwerking zonder echte verandering

Voor: Juf ziet dat Sanne zich vreemd gedraagt → belt bekende jeugdzorgwerker → hulp binnen week

Na: Juf meldt bij systeem → regionale triage → wachtlijst → onbekende professional → 6 weken later

Voor: “Kennen jullie die moeilijke fase van Kevin? Hoe kunnen we helpen?”

Na: “Valt Kevin’s problematiek onder contract A, B of C? Wie is verantwoordelijk voor facturatie?”

Voor: Creatieve lokale oplossingen (buurtnetwerk, school, vereniging)

Na: “Dat moet via de regionale procedures, anders krijgen we accountantscontrole”

Vrijwillige Samenwerking: Het liefdeshuwelijk model

Kenmerken van succesvolle regionale samenwerking:

  • Gedeelde nood brengt samen
  • Crisis dwingt tot samenwerking (bijvoorbeeld grote jeugdzorginstellingen failliet)
  • Gemeenschappelijk belang is duidelijk voor alle partijen
  • Wederzijds respect voor eigenheid
  • Grote gemeente erkent lokale expertise van kleine gemeenten
  • Kleine gemeenten waarderen professionele capaciteit van centrum
  • Heldere taakverdeling
  • Regionale taken: inkoop, contractmanagement, expertise
  • Lokale taken: toegang, casusregie, integrale samenwerking
  • Geleidelijke groei van vertrouwen
  • Beginnen met eenvoudige samenwerking
  • Uitbreiden als successen zichtbaar worden
  • Evalueren en bijstellen op basis van ervaring

Het netwerk-model In plaats van het huwelijks-model. Van gedwongen monogamie naar flexibele allianties In plaats van: Alle gemeenten moeten één regionale partner worden. Beter: Gemeenten kunnen meerdere allianties aangaan voor verschillende doelen:

  • Inkoop-alliantie voor contractonderhandelingen
  • Expertise-netwerk voor kennisdeling
  • Crisisnetwerk voor acute situaties
  • Innovatie-partnership voor nieuwe ontwikkelingen

Voordelen van het netwerkmodel

  • Flexibiliteit: gemeenten kunnen in- en uitstappen
  • Specialisatie: verschillende netwerken voor verschillende behoeften
  • Concurrentie: netwerken moeten waarde bewijzen om leden te behouden
  • Democratie: gemeenten behouden echte keuzemogelijkheden

Liefde kun je niet Dwingen, maar wel faciliteren.

De metafoor van het gedwongen huwelijk toont waarom verplichte regionale samenwerking vaak contraproductief uitpakt. Net zoals kinderen het beste gedijen in liefdevolle, stabiele relaties tussen hun ouders, hebben kinderen in de jeugdzorg baat bij functionele, respectvolle samenwerking tussen gemeenten.

De paradox: Door gemeenten te dwingen tot samenwerking “voor de kinderen,” creëren we vaak juist de dysfunctionele bestuurlijke relaties die kinderen benadelen.

Het alternatief: Creëer randvoorwaarden waarin gemeenten vrijwillig en gradueel kunnen samenwerken waar het toegevoegde waarde heeft, terwijl ze hun lokale identiteit en verantwoordelijkheid behouden waar dat beter uitkomt.

Want uiteindelijk: Een goed huwelijk ontstaat niet door dwang, maar door wederzijds respect, gedeelde waarden en bewezen toegevoegde waarde. Hetzelfde geldt voor bestuurlijke samenwerking in de jeugdzorg.