Prestatiecodes Jeugd: (g)een goed idee?

De staatssecretaris Jeugdzorg en Preventie zei het bij de behandeling van de Wet maatschappelijk verantwoord inkopen Jeugdwet en Wmo 2015 in de Tweede Kamer. “Hiervoor ben ik voornemens, om de model prestatiecodes jeugd in te voeren.” Zijn stelligheid verbaast. Omdat het onderzoek naar de impact daarvan nog loopt én omdat daarmee beoogde effect – sociaal domein breed – ook bereikt worden een striktere naleving van de bestaande Regeling Jeugdwet en de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. Het Model Prestatiecodes Jeugd is alleen van toepassing op de inspanningsgerichte uitvoeringsvariant. Het is daarmee geen vervanging van de bestaande iStandaarden, maar komt voor één uitvoeringsvariant naast de bestaande iStandaarden te staan. Dat is geen administratieve verlichting, maar een administratieve verzwaring, zo leert de navolgende afweging.

De iStandaarden

De bestaande iStandaarden ondersteunen een eenduidig proces van toewijzing en declaratie voor de uitvoeringsvarianten binnen het sociaal domein.

Er zijn drie uitvoeringsvarianten (inspanningsricht, outputgericht en taakgericht) voor de administratieve afhandeling van toewijzing en facturatie voor Wmo en Jeugdwet. Deze uitvoeringsvarianten leggen een ver-binding tussen inkoop, inrichting van de zorgadmini-stratie en het veilig en efficiënt uitwisselen van gegevens met de berichtenstandaarden iWmo en iJw. De uitvoeringsvarianten helpen om structuur aan te brengen in het administratieve proces. Ze respecteren de gewenste vrijheid in de sturingsrelatie tussen gemeente en aanbieders. De keuze voor één van deze varianten levert een zoveel mogelijk gestandaardi-seerde keteninformatie-uitwisseling op die – waar mogelijk – gebruikmaakt van de standaarden iWmo en iJw. Deze gestandaardiseerde uitwisseling zorgt bij een juiste toepassing voor een minimale administratieve last.

Gemeenten én aanbieders die de inspanningsgerichte of de outputgerichte uitvoeringsvariant gebruiken zijn volgens wet- en regelgeving[1] daarom ook verplicht de iStandaarden te gebruiken. Het verbod om bij gebruik van de inspanningsgerichte of outputgerichte uitvoeringsvariant af te wijken van de iJw of iWmo geldt krachtens de regeling voor alle contracten die sinds 26 juli 2019 zijn gesloten of gewijzigd.

De praktijk is dat bijna 100% van de gemeenten werkt met de iStandaarden. Daarbij wordt – ten onrechte – de ministeriële regeling geïnterpreteerd als een basis waarop variatie mogelijk is. Juist de als gevolg daarvan – onnodige en ongewenste – variatie in de uitvoering van de iStandaarden zorgt nu voor een grote hoeveelheid vermijdbare administratieve lasten. De variatie zit met name in het al dan niet toepassen van alle bedrijfsregels, berichtenstandaarden of berichtspecificaties en een grote variatie in productcodes.

Het Model Prestatiecodes Jeugd

De aanleiding voor het ontwikkelen van het Model Prestatiecodes Jeugd ligt in de behoefte aan vermindering van de administratieve lasten die samenhangen met de hoeveelheid productcodes en in de behoefte om een einde te maken aan het tijdschrijven binnen de jeugdhulp. Op beide elementen beoogt het Model een antwoord te geven. Allereerst door het hanteren van een beperkte landelijke set van productcodes. Vervolgens met de aanname dat het Model kan bijdragen aan het terugdringen van het tijdschrijven door aanbieders als gevolg van de interne bedrijfsvoering van aanbieders.

Het Model Prestatiecodes Jeugd is een model voor het eenvoudig toewijzen en declareren van jeugdhulp binnen uitsluitend de inspanningsgerichte uitvoeringsvariant. Het model hanteert een beperkt (maximaal vijftig) aantal prestatiecodes[2]. Zowel de codes als de bij deze codes geldende beschrijvingen worden wettelijk vastgesteld. Gemeenten en aanbieders mogen dus geen andere codes gebruiken, ook niet als daar onderlinge afstemming over is. Toewijzen binnen het Model gebeurt dus op een hoger abstractieniveau, hetgeen meer ruimte voor de professional oplevert en zorgt voor minder administratie en vertraging in de hulp bij een wijzigende hulpbehoefte.

De declaratie van de ambulante hulp vindt in het Model plaats op kwalificatieniveau van de professional, en bestaat alleen uit de directe tijd die aan hulp is besteed. Overige tijd wordt verrekend in het tarief. De aanbieder moet de geleverde zorg op kwalificatieniveau registreren en declareren. Het declareren van de gewerkte tijd wordt gedaan in blokken van vijftien minuten. De aanbieder mag niet meer dan de toegewezen tijdsduur declareren.

Voor jeugdhulp die wordt geleverd in de setting groep of verblijf geldt dat declaratie plaatsvindt op de prestatiecode waarop is toegewezen, declareren van de gewerkte tijd wordt hier gedaan in blokken van een uur (groep) of een etmaal (verblijf). Eventuele extra individuele jeugdhulp die geleverd wordt, wordt apart gedeclareerd volgens de declaratiewijze voor ambulante hulp (op kwalificatieniveau en per kwartier).

Invoering van het kwalificatieniveau

Met het Model wordt het kwalificatieniveau geïntroduceerd als eenheid voor declaratie. Dit omdat de kosten per uur per medewerker de basis zijn van de bekostiging en verantwoording in het jeugdveld. Alle efficiencymetingen, kostenanalyses en budgetprognoses kennen dezelfde ‘kleinste eenheid’: de kosten per uur van de hulpverlener.

De analyse

  • Reikwijdte Model Prestaties Codes Jeugd

De met het Model beoogde vereenvoudiging van het systeem door het hanteren van een beperktere landelijke set van productcodes door aanbieders en gemeenten kan bereikt worden, als het Model toepasbaar is voor drie genoemde uitvoeringsvaranten. Dat is op dit moment nog niet het geval. De nu voorliggende uitwerking is alleen van toepassing op de inspanningsgerichte uitvoeringsvariant. Hierdoor is het Model geen vervanging van de bestaande iStandaarden, maar komt het Model voor één uitvoeringsvariant naast de bestaande iStandaarden te staan. Omdat het Model niet voor de Wmo toepasbaar is, betekent dit, dat gemeenten en aanbieders meerdere sets van administratieve afspraken en spelregels naast elkaar in de ‘lucht moeten houden’. Dat geldt ook voor afspraken die betrekking hebben op de resultaatgerichte en taakgerichte uitvoeringsvariant die nu nog niet in het Model zijn opgenomen.

Het met het Model Prestatiecodes Jeugd beoogde effect kan – sociaal domein breed – ook bereikt worden met een strikte(re) naleving van de wet- en regelgeving rond de huidige iStandaarden. Namelijk door het beperken van de variatie in gebruikte productcodes door een landelijke set productcodes vast te leggen.

  • Definitie prestatiecodes

Een ander element in het Model is de definitie van de prestatiecodes. In de thans voorhanden zijnde uitwerking is deze nog niet beschikbaar. Uitwerking en aanscherping van deze definities is noodzakelijk. De groei van het aantal productcodes (binnen Jeugdwet én Wmo) vloeit niet alleen voort uit de wens van gemeenten. Er bestaat – ook aan de kant van aanbieders – kennelijk een behoefte aan het definiëren en identificeren van ‘eigen’ producten, waardoor het aantal codes blijft toenemen. Elk ander ‘boutje’, ‘moertje’, ‘schroefje’ of ‘nippeltje’ in een behandeling maakt een product kennelijk unieker, goedkoper of duurder en moet dus een eigen code krijgen. Wanneer tijd en aandacht (oftewel de personele factor) in een behandeling de doorslaggevende factoren zouden vormen van alle discussies over productcodes en tarieven, dan zou de variëteit in producten (en daarmee in productcodes) ook binnen de huidige iStandaarden aanmerkelijk lager (kunnen) zijn.

  • Kwalificatieniveau

Het Model hanteert als uitgangspunt het kwalificatieniveau van de professional dat wordt ingezet. Voor aanbieders lijkt en is dit waarschijnlijk een vereenvoudiging.  Echter, voor gemeenten is niet zozeer het ingezette kwalificatieniveau relevant, als wel het met de toegekende interventie bereikte resultaat. Anders gezegd, gemeenten willen weten of het handelen is gebaseerd op de best beschikbare informatie over doelmatigheid en doeltreffendheid van een aanpak. Daarmee wordt in het nu voorliggende model geen rekening gehouden. Het met het Model beoogde effect binnen de bestaande iStandaarden ook bereikt worden door gebruik te maken van de mogelijkheid tot aspecifiek toewijzen.

  • Monitoring en Verantwoording

Gemeenten of gemeentelijke samenwerkingsverbanden gebruiken de iStandaarden bovendien ook om de uitvoering te monitoren en daarover te rapporteren aan de gemeenteraad. In de voorliggende uitwerking van het Model is nog niet uitgewerkt hoe het Model de gewenste beleidsinformatie voor gemeenten zowel als aanbieders ondersteunt. Het Model en de daarmee voorgestelde vereenvoudiging kan daarmee – onbedoeld – leiden tot een ‘verschraling’ van de informatie die met de huidige iStandaarden wel verzameld kan en wordt. Als gevolg van het feit dat gemeenten buiten de iStandaarden om aanvullende informatie- en verantwoordingsvragen aan aanbieders gaan stellen om in de monitorinformatie te voorzien kan zo leiden tot een verschuiving naar verzwaring van de administratieve verantwoordingslasten ‘aan de achterkant.

  • Tarieven

De meeste tarieven van gemeenten voor de Jeugdwet en Wmo zijn integraal. Het integrale tarief dekt naast de kosten van de professionals ook die van de organisatie van de zorg. Tijdschrijven is daardoor in algemene zin niet iets wat voortvloeit uit de inkoopafspraken van gemeenten met aanbieders, noch uit de iStandaarden. De invoering van het Model zal hieraan weinig tot niets veranderen. De behoefte aan tijdschrijven vloeit namelijk voort uit de behoefte aan deze verantwoording voor aanbieders ten behoeve van de interne organisatiesturing. Registratie van de indirecte tijd maakt namelijk inzichtelijk hoeveel tijd werknemers aan een bepaalde activiteit kwijt zijn. Dat is voor de aanbieder belangrijke informatie bij de tariefsopbouw.

Samenvattend

Het gedachtegoed en de bedoeling van het Model Prestatiecodes Jeugd sluit nauw aan bij de taak en opdracht van het Ketenbureau i-Sociaal Domein. Een nadere uitwerking van het Model, zodat het Model – net als de huidige iStandaarden – toepasbaar is voor alle uitvoeringsvaranten heeft zeker potentie, maar vraagt (voor zowel ontwerp en implementatie) meer tijd (zie ook bijlage 1; Implementatieopgave). Tegelijkertijd kan worden vastgesteld dat hetzelfde effect, met minder inzet en kosten kan worden bereikt door:

  1. een striktere naleving van de bestaande wet- en regelgeving ten aanzien van de iStandaarden en
  2. het optimaal gebruik van de verschillende mogelijkheden binnen de iStandaarden.

Regeling Jeugdwet en de Uitvoeringsregeling Wmo 2015

Een uitgebreidere juridische toelichting VWS

In de eerste leden van de artikelen 2.15 van de Jeugdwet en 2.6.7a van de Wmo 2015 staat, voor zover hier van belang, dat bij ministeriële regeling in het belang van de beperking van uitvoeringslasten regels gesteld kunnen worden over:

  1. de financieringswijzen en administratieve processen, behorende bij de bekostiging van aanbieders door colleges;
  2. de wijze waarop gegevensuitwisseling tussen aanbieders en colleges plaatsvindt;
  3. de wijze waarop verantwoording van aanbieders aan colleges plaatsvindt.

In 2019 zijn deze bij ministeriële regeling te bepalen regels daadwerkelijk opgesteld en in werking getreden. Zij zijn te vinden in paragraaf 6c van de Regeling Jeugdwet en hoofdstuk 3b van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. In de artikelen 6c.1, tweede lid, van de Regeling Jeugdwet en 3j, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 staat dat de colleges bij gebruik van de inspanningsgerichte of outputgerichte uitvoeringsvariant de iJw respectievelijk de iWmo moeten toepassen. Gelet op de formulering van die artikelleden gaat het hier om invulling van de bevoegdheid, geregeld op grond van de onderdelen a en b van artikel 2.15 Jeugdwet en 2.6.7a Wmo 2015. Uit de omschrijving van ‘iJw’ en ‘iWmo’ in de artikelen 1 van de Regeling Jeugdwet en 1 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 volgt dat het verplicht toepassen van de iJW en iWmo tevens het verplicht toepassen van de daarin opgenomen bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificatie betekent.

In het tweede lid van de artikelen 2.15 Jeugdwet en 2.6.7a Wmo 2015 staat dat de colleges geen aanvullende of afwijkende eisen mogen hanteren over onderwerpen waarover op grond van het eerste lid, onderdeel a, van die artikelen regels zijn gesteld.

Nu de plicht om bij gebruik van de inspanningsgerichte of outputgerichte uitvoeringsvariant de iJw/iWmo te gebruiken (onder meer) invulling behelst van de bevoegdheid, bedoeld in de artikelen 2.15, eerste lid, onderdeel a, Jeugdwet en 2.6.7a, eerste lid, onderdeel a, Wmo 2015, is het gemeenten derhalve niet toegestaan om bij gebruik van die uitvoeringsvarianten andere bedrijfsregels, berichtenstandaarden of berichtspecificaties te gebruiken dan de regels, standaarden en specificaties die in de iJw en iWmo zijn opgenomen.

Overigens is ook de toelichting bij de ministeriële regeling waarmee paragraaf 6c van de Regeling Jeugdwet en hoofdstuk 3b van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 aan de Regeling Jeugdwet en de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 werden toegevoegd hier duidelijk over. Zie voor de regeling, die op 26 juli 2019 in werking trad, en de toelichting daarop Staatscourant 2019, 41519.

Het verbod om bij gebruik van de inspanningsgerichte of outputgerichte uitvoeringsvariant af te wijken van de iJw of iWmo geldt krachtens de regeling voor alle contracten die sinds 26 juli 2019 zijn gesloten of gewijzigd. Het geldt ook voor eerder gesloten en sindsdien niet gewijzigde contracten indien de contractspartijen hebben besloten dat de iJW of iWmo binnen hun bestaande contract konden worden toegepast.

Met vriendelijke groet,

Senior wetgevingsjurist VWS/WJZ


[1] 18 juli 2019 publiceerde de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister voor Rechtsbescherming de Regeling Jeugdwet en de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 in verband met het stellen van regels ten behoeve van het beperken van vermijdbare uitvoeringslasten in het kader van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

[2] Op dit moment worden er landelijk – binnen de 5 iStandaarden gezamenlijk meer dan 3.800 verschillende productcodes gebruikt,

De auteur, Peter Paul J. Doodkorte is senior-adviseur bij Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor overheden en organisaties werkzaam binnen het sociaal domein. Meer van zijn blogs en ideeën zijn te vinden op Verruim de horizon, De kracht van het alledaagse en Inspirituals.

Peter Paul Doodkorte is ook een van de (zeven) regioadviseurs die samen het landelijk werkende Regioteam Opdrachtgever-/opdrachtnemerschap Wmo en Jeugdwet vormen. Het Regioteam ondersteunt gemeenten én aanbieders bij het werken volgens de bedoeling en werkt samen met Ketenbureau i-Sociaal Domein aan een krachtige en toekomstbestendige uitvoering van de Wmo en Jeugdwet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s