• Mensen moeten doen wat ze willen. Waar leven ze anders voor?

Moeten

De zorg in Nederland is al geruime tijd onderwerp van een hervorming die zich kort laat beschrijven als een poging om door middel van overdracht en omvorming van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden te komen tot een beter en volhoudbaar zorgstelsel. Niemand kan nog precies voorspellen wat deze poging allemaal zal opleveren, laat staan in hoeverre wij in deze ambitie uiteindelijk slagen. De beoogde overdracht en omvorming betreft een veelomvattende operatie. Zij raakt iedereen. De inwoners (zorgconsumenten), de overheid en de professionals en hun organisaties.

De intenties verraden een grote ambitie. De zorg moet doelmatiger en innovatiever. Tegelijkertijd echter moeten de solidariteit, toegankelijkheid, kwaliteit van zorg en betaalbaarheid gewaarborgd blijven. In sommige opzichten zelfs worden verbeterd. De hervorming van ons sociaal domein is zo een samenstel van doeleinden en middelen. Het succes daarvan vraagt en draait om een verandering van besturingsparadigma.

Een besturingsparadigma is een samenhangend geheel van ideeën en opvattingen over de aard en structuur van besturingsproblemen en de wijze waarop die het beste kunnen worden aangepakt. Bij de transitie en transformatie van de jeugdzorg, de omvorming van de AWBZ en Wmo en de invoering van de Participatiewet gaat het om een omslag van ‘beheersing’ naar ‘ontwikkeling’. Die omslag in het denken gaat niet vanzelf. Niet in de laatste plaats geldt dit voor de ‘sturende’ overheid zelf. Zij is gewend op alle niveaus een dominante functie te vervullen. Terwijl de noodzakelijk geachte en vervolgens gewenste paradigmashift vraagt om een nadruk op decentralisatie van beslisrechten en bijbehorende verantwoordelijkheden.

Deze evolutie in ons denken past in een breder politiek-maatschappelijke ontwikkeling. Deze kenmerkt zich door een veranderende verhouding tussen overheid, middenveld en inwoners. Het gaat daarbij om het ruimte bieden aan ondernemerschap van en bij inwoners. Om een overheid die niet langer alles zelf wil bedisselen, maar veel meer op afstand stuurt en faciliteert. De inwoners – jong en oud – worden in dit model gepositioneerd als mensen die zoveel mogelijk hun eigen keuzes ‘mogen’ in plaats van ‘moeten’ maken.

Het verschil tussen moeten en mogen
We hebben ooit – en al heel jong – het woord ‘moeten’ geleerd. Moeten legt druk op alles wat we doen. Het zit in ons en in onze systemen. “Moeten’ ontneemt ons de keuze in en bij het doen, horen en zien. Het is een automatische piloot geworden die ons denken en doen in de greep heeft. Hoe zou het zijn als je mag in laats van moet?

Van ‘moeten’ naar ‘mogen’ vraagt om het creëren van het ‘willen’. Willen heeft te maken met positieve doeleinden, om wat je wilt bereiken. Wat we willen doen, doen we graag opnieuw. Zo ontwikkelen we vaardigheden en motieven (een drijfveer en terugkerend patroon). Wat je wilt, is wat je leuk vindt. Waar je je in verliest en wat je energie geeft. Het draait om durven ‘dromen’ en ‘wensen’. Het maken van plannetjes, gericht op een gewenste toekomst op basis van werkbare – en daardoor gewenste – mogelijkheden. Het resultaat is een situatie waarbij mensen zelf verantwoordelijkheid en eigenaarschap behouden bij en voor het realiseren van de benodigde acties en veranderingen.

Dromen, durven en doen vraagt om kijken naar mogelijkheden in plaats van focussen op problemen en belemmeringen.

Wij zuchten vaak over of onder onze problemen en/of belemmeringen. En het wordt ronduit irritant als er dan mensen in onze omgeving zijn die beweren dat er geen problemen (meer) zijn. Zover wil en zal ik niet gaan. Natuurlijk zijn er problemen dan wel belemmeringen. In ons werk en leven loop we gewoon wel eens vast. Of verprutsen we het wel eens. Doen we wel eens domme dingen. Toch!?

Maar ik beweer wel dat alle problemen uitzonderingen hebben. Momenten waarop het probleem of de belemmering zich niet voordoet. En in die momenten of situaties liggen de sleutels voor het ‘willen’.

Van ‘moeten’ naar ‘mogen’ en ‘willen’ vraagt om een ander perspectief van kijken naar hetzelfde gegeven. Om een omgeving die niet zozeer werkt vanuit een grand design, een blauwdruk of een ultieme doelstelling, maar een ambiance die ruimte geeft. Waarin uitdagingen, belemmeringen en problemen ‘lerend’ mogen en kunnen worden opgepakt en geïnterpreteerd. Dat vraagt – van ieder van ons – een mensgerichte attitude. Een basishouding van oprechte interesse in de ander. En om staatslieden die zich niet gedragen als architecten van megalomane stelsels, maar als tuinlieden het ‘moeten’ wieden tussen de kostbare waarde van ‘mogen’ en ‘willen’.