• Participatie kondig je niet af; dat doe je – met hart en ziel (en niet met de portemonnee)
Burgerparticipatie, overheidsparticipatie en de participatiemaatschappij. Participatie is hot. Als containerbegrip wordt het te pas en te onpas gebruikt voor het ‘verkopen’ van beleidsvoornemens van overheden.
Meedoen. We raken er maar niet over uitgepraat. Maar onder al die mooi verpakte participatieboodschappen zit uiteindelijk maar een motivatie: geld dan wel kosten.
Ben ik dan tegen participatie? Integendeel. Waar ik echter – in toenemende mate – bang voor ben, is dat wij ‘participatie’ institutionaliseren. Het wordt naar mijn mening teveel gepresenteerd als iets ‘extra’s’ of iets wat er ‘bovenop’ komt. Zo wordt ‘meetellen’ een ‘meedoen’ een last in plaats van een lust.
Participatie betekent ‘actieve deelname’. Het is afgeleid van de Latijnse woorden pars (deel) en cipere (nemen). Die oorspronkelijke betekenis is eind jaren zeventig ‘verkracht’ door participatie als de historische opvolger van het begrip ‘inspraak’ te gaan hanteren. Datgene waar men inspraak op eiste – en vervolgens al dan niet van harte bood – was de publieke besluitvorming. Burgers kregen “inspraak” in ambtelijke procedures. Werden ‘gehoord’ door de overheid. Waarbij deze de burger aanhoorden, zonder dat zij op enige wijze verplicht waren ook daadwerkelijk consequenties eraan te verbinden. Daarop werd de term participatie (meedoen) gelanceerd.
Ieder mens wil van betekenis zijn. Elk mens wil meedoen! Niet, omdat het moet, maar omdat het een intrinsieke menselijke trek is. Van betekenis zijn en meedoen vraagt om het gebruik van de mogelijkheden, de talenten van mensen. En juist op dat onderdeel vliegen wij als beleidsmakers (te) vaak gierend uit de bocht. Vanuit de verzorgingsstaat benaderen we mensen vanuit systemen, regels en voorschriften. Iedereen mag meedoen mits… En de tegenhanger daarvan, de participatiemaatschappij, hanteert nagenoeg hetzelfde principe: Iedereen moet meedoen, en daarom….
Mensen die om wat voor reden dan ook niet kunnen meedoen, doen dat niet, omdat ze niet willen. Het zijn systemen, regels en voorschriften die hen in de weg staan. Soms onbedoeld, maar toch. We verzuimen uit de gaan van de vraag wat mensen nodig hebben om weer mee te kunnen doen. Met andere woorden: wat heb jij nodig om jezelf te ontwikkelen, om te worden wie je wilt of kunt zijn. Wij benaderen liever mensen vanuit de rechtmatigheid van het gebruik van een regeling dan vanuit de vraag van hun ontwikkeling.
Het woord participatie heeft hierdoor een te sterk economische connotatie gekregen. En ja, ik hoor het Kabinet luid roepen dat het geen verkapte bezuinigingsoperatie van het kabinet is. Maar toch..
Meedoen gaat niet om de logica van het geld. Het gaat om de logica van de vanzelfsprekende wederkerigheid. Of, zoals Jos van der Lans dat mooi zegt: ‘Je kunt de participatiemaatschappij niet afkondigen. Bomen groeien niet als je er aan de bovenkant aan gaat trekken, maar ze groeien als je er een goede voedingsbodem onder legt. Als de overheid bijvoorbeeld corporaties hindert om nog langer met leefbaarheid bezig te zijn, is dat contraproductief. Dan zeg je dat die boom moet groeien, maar ben je de bodem aan het verdorren.’
Participatie gaat over inclusie. In een inclusieve samenleving zijn mensen er voor elkaar. Niet, omdat het moet, maar omdat ze het willen. Willen begint met ont-moeten.
Ont-moeten stelt hoge eisen aan de overheid. Een zelfbewuste overheid die (be-)stuur op basis van partnerschap en onderlinge afhankelijkheid. Een verbindende overheid dus. Een overheid ook die vakmanschap boven protocollen en voorschriften durft te stellen. Een overheid die voorbij het moeten – en het daarvoor benodigde controle- en beheers-denken – ruimte creëert voor ontmoeting, lef, creatiekracht en netwerkpotentie.
Participatie is het ontginnen en ontwikkelen van passie. Participatie gaat over ‘durven dromen’. Successen delen én vieren. En ja, voor dat alles is moed en vertrouwen nodig. Anders kan het niet. Meedoen is een spel: je moet vertrouwen winnen én geven. Participatie begint met het besef dat je het alleen sámen kunt bereiken. Anders houdt het op.
Kortom: Participatie moet niet opgedrongen worden. Opdringen werkt niet. Het is de kunst van het verleiden. Het rare is alleen, dat ik nauwelijks beleidsnota’s kan bedenken die dat proberen. Da’s jammer, want het mooiste van verleiding …is eraan toegeven.

Wat een heerlijk en betekenisvol stuk over participatie! Vergroot het uit en hang het op, het zal een eye opener zijn voor vele.
Voorbeeld uit de praktijk: lerares raakt werkeloos, gaat verplicht vrijwilligerswerk doen. Zij moet dementerende bejaarden van voedsel voorzien (is dit eigenlijk geen werk voor opgeleid personeel?). Er is één personeelslid dat haar die opdracht geeft. Dit personeelslid zit zelf de gehele tijd de -verplichte – gegevens in te vullen op de computer. Het lijkt er op dat zijn eigenlijke werk wordt gedaan door de vrijwiliigster omdat de werknemer -volgens de regels- misschien wel hapje moet noteren?
Dit is het twede voorbeeld wat mij ter ore kwam van een vrijwilliger die dementyerende bejaarden moet verzorgen.