• Opnieuw leren risico te nemen
De meeste van ons leerden lopen, we hielden vol, ondanks de risico’s. Een makkelijk voorbeeld, da’s waar. Lopen zit in de aanleg en er is nauwelijks iets dat met kiezen te maken heeft. Oké, maar later dan? Leren fietsen, zwemmen, de straat uitlopen en naar een onbekende plek trekken, likken aan een batterij van 9 volt (smerig was dat, hè?), koffie leren drinken en alcohol. Kortom, de meeste van ons waren ooit ervaren in het nemen van risico’s. Maar we leerden het af.
Elk denkbaar risico proberen we te voorkomen met allerlei maatregelen. Iedereen, en kinderen in het bijzonder, heeft een veilige omgeving nodig. Als er een gevoel van onveiligheid is door een (mogelijke) lichamelijke of psychische dreiging moeten wij er alles aan doen die situatie te veranderen. Dat gevoel van veiligheid is een vangnet waarop kinderen altijd moeten kunnen terugvallen. En toch…
Het leven kent naast aangename ook onaangename verrassingen. Het is dan onze dure burgerplicht om te zorgen voor een veilige omgeving. Sommige ouders slagen erin om zelfs in een onveilige omgeving hun kind een veilig gevoel te geven. Een mooi voorbeeld daarvan vind je in de film “La vitta e bella” waarbij een vader in een concentratiekamp zijn kind een veilig gevoel geeft.
Het nieuws in de afgelopen week maakte weer duidelijk hoe wij als samenleving collectief in die opdracht kunnen falen. Het zoveelste gezinsdrama is een feit. Een 47-jarige vader heeft zijn drie zoontjes vermoord en daarna de hand aan zichzelf geslagen.
Hoewel ik de betrokkenen niet ken, bekroop mij toch weer een gevoel van machteloosheid. Want, hoewel ik ervan overtuigd ben dat wij dit soort drama’s met de beste wil ter wereld niet kunnen voorkomen, toch doet het wat met mij. Dat wij maar niet in staat zijn dit soort van verschrikkelijkheden te voorkomen.
De eerste vraag die direct op de lippen van velen lag luidde (natuurlijk): was de vader of zijn gezin bekend bij jeugdzorg? Bureau Jeugdzorg Groningen – waar direct na het nieuws ongetwijfeld direct de dossiers nagelopen zijn – laat weten dat dit niet het geval is. Gelukkig maar. Voor hen. Want alle media kopten het de volgende dag. Jammer voor hen. Want wie kunnen zij nu ‘de schuld’ geven?
Mogen de media die vraag dan niet stellen? Natuurlijk wel. Vanzelfsprekend moet dat worden uitgezocht. Om ervan te leren. Niet (primair) om iemand de schuld te kunnen geven. Want, hoe akelig deze gebeurtenis ook is, ik ben en blijf ervan overtuigd dat niemand dit bewust gewild heeft. Als er al sprake zou zijn van gemaakte fouten, dan is deze terug te geleiden naar een onjuiste inschatting van de zorgbehoefte.
De reflex van de Nederlandse samenleving om direct een beschuldigende vinger uit te steken naar ‘Het Instituut Jeugdzorg’ vind ik langzaam maar zeker beschamend. Want, anders dan menigeen als vanzelfsprekend aanneemt: zij zijn niet bij uitstek verantwoordelijk voor dit soort van gruwelijke excessen. Sterker nog: ik ervan overtuigd dat – waar ook maar even mogelijk – zij er alles aan doen dit soort van excessen te voorkomen. Maar als zij die verantwoordelijkheid nemen, loert er direct een ander gevaar om de hoek. Als de jeugdzorg ouders het heft uit handen neemt, staat de media met de messen geslepen klaar. Dan kopt bijvoorbeeld HP/De Tijd: “Als Jeugdzorg kinderen ophaalt, kijkt iedereen weg.“ Ouders krijgen dan volgens de criticasters niet eens (voldoende) de kans hun eigen plan met oplossingen te maken.
De drie kinderen in Schoonlo waren een tweeling van 10 jaar oud en een peuter van 2 van twee verschillende moeders. Beide moeders wonen in Groningen, waar de tweeling ook naar school ging. Een van de tweelingbroers was echter bij zijn vader woonachtig. Wat mij vervolgens puzzelt is de vraag of er in de verschillende omgevingen van hen niemand is geweest die dit heeft zien aankomen. Was er geen familie, geen vrienden, geen buur, geen onderwijzer, geen agent of werkgever die iets hadden kunnen zien of vermoeden?
Begrijpt u mij goed. Ik wil helemaal niet zwartepieten. Ik ga er van uit dat dit drama voor iedereen een volstrekt onverwachte gebeurtenis is. Anders was het gezin wel bekend geweest bij de jeugdzorg. En was er wel ingegrepen. Waar het mij om gaat is dat wij als samenleving net zo goed een verantwoordelijkheid dragen. En wanneer we gaan onderzoeken hoe situaties als deze zo kunnen escaleren, moet je daar volgens mij de hele omgeving in meenemen. Samen verantwoordelijkheid willen dragen en werken aan een pedagogische civil society betekent immers ook: samen niet goed hebben gezien – of erkend – dat het misliep in dit gezin. Of de andere kant op hebben gekeken; in plaats van te handelen en verantwoordelijkheid te nemen. Omdat je niet wist – of liever niet wilt – dat dat van jou (als burger, vrijwilliger of eerstelijns professional) verwacht werd. En dan nog. Zelfs als eenieder zijn of haar plicht doet, dan nog kan het schrikwekkend uit de hand lopen.
In mijn pleidooi voor meer nuance voel ik mij geruggensteund door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. In het onlangs in het verschenen advies ‘Toezien op publieke belangen’ doet deze raad interessante aanbevelingen. Signaleert zij een onevenwichtige omgang met toezicht. Vooral na ‘maatschappelijk schokkende incidenten’ klinkt de roep om méér toezicht, strikte handhaving van wet- en regelgeving en om een schuldige. Met de WRR ben ik van mening dat het gedrag dat alle actoren moeten vertonen om hun taak naar behoren uit te voeren de norm moet zijn. En dan bevinden juist ‘de gewone mensen’ zich in de ‘unieke’ positie dat zij juist door nabijheid eerder en vroegtijdiger dan professionals (verwachte) problemen kunnen signaleren.
Opmerkelijk is de hoge verwachting die wij Nederlanders hebben van de overheid en de door haar ingestelde instituties. Wij verwachten dat de overheid in staat is alle risico’s af te dekken. De individualisering van de samenleving heeft dat versterkt. Maar door de vele regels en de daarbij behorende controlemechanismen wordt de samenleving juist ontregeld. Dit vraagt om een tegendraadse benadering. Een, waarbij we radicaal afscheid moeten nemen van het idee van de maakbare samenleving. Risico hoort bij het leven en we zullen moeten leren er goed mee om te gaan. Het streven (laat staan: de verwachting) alle risico uit te kunnen bannen, leidt tot schijnzekerheid. Die discipline verwacht ik ook van politici. In plaats van “Yes, we can”, zouden zij af en toe moeten durven roepen “No, we can not.”
Ik hoop en wens voor al onze kinderen dat wij als ouderen bij onszelf te rade gaan. Ons blijvend realiseren dat wij onze ogen en oren open moeten houden. En, als dat nodig is, de moed moeten hebben om onze zorgen te uiten. Niet om de beschuldigende vinger te kunnen wijzen. Niet om de schuldvraag uit de weg te gaan of te beantwoorden. Maar om ervan te leren. In de wetenschap dat er risico’s blijven bestaan die niet door wet- en regelgeving worden afgedekt.
En voor de nabestaanden van de vader en zijn drie zoons: Het is onbegrijpelijk dat zo dicht onder onze ogen dit soort dingen kunnen gebeuren. Voor zover het mij als ‘toeschouwer’ past dit te zeggen: ik ben stil en verbijsterd. Woorden van troost heb ik niet. De woorden die ik zou willen bezigen, schieten altijd tekort. Zoals wij allen tekort schoten.