(vrij naar Martin Luther King, Jr. 1929-1968, doopsgezinde burgerrechten voorvechter in de Verenigde Staten)
• werk aan betrokkenheid, ontwikkeling én groei
Ooit gehoord van iemand die succesvol werd in zijn werk waar hij een grondige hekel aan had? Nee, ik ook niet. Er bestaan voorwaarden om succesvol te zijn: plezier beleven is er een van. Hoe zit u uw werk? Geeft het u kracht en energie? Of vindt u het tijdverspilling en geestdodend?
Het is een kleine 20 jaar geleden. Ik was wethouder in mijn woongemeente. Op maandagochtend stond ik, met een aantal ambtenaren, in de lift. “Zo, nog vijf dagen, en dan is het weer weekend,” verzuchtte een van hen. Het was toen dat ik mij voornam nooit in die situatie verzeild te willen geraken. Twee dagen per week ‘leven’ en voor de rest het gevoel hebben te ‘moeten’ werken. Dat is mij, tot op de dag van vandaag, gelukt. En ja, ik realiseer mij dat ik bof. Ik kán en mág werken.
Iemand die een hekel heeft aan zijn werk, verspild energie aan verkeerde zaken. Deze energie kan beter gebruikt worden. Je bereikt meer door je energie optimaal te gebruiken. Goed voorbeeld zijn de mannen en vrouwen die succesvol zijn: zij barsten van de energie en hebben veel plezier in hun werk. Zij doen iets wat ze leuk vinden, echt leuk!
Professionals in de zorg hebben de reputatie dat zij organisatorische veranderingen – wat mij betreft terecht – niet enthousiast ontvangen. Veel van die veranderingen komen voort uit bestuurlijke beheers drift en leiden af van ‘het echte werk’. Het rendement van al de bestuurlijke bemoeizucht is niet alleen onzeker. Het doet ook afbreuk aan de passie van de professionals.
De werktijd van een zorgprofessional dient eerst en vooral besteedt te (kunnen) worden aan het primaire werkproces: het bijspringen bij en meelopen met mensen die het – om welke reden dan ook – even niet zelf kunnen. De werkelijkheid is anders. Veel tijd en energie gaat zitten in het regelen van de aanvraag tot ondersteuning of hulp, het verantwoorden van de levering daarvan en andere bureaucratische rompslomp. De vele beloften over deregulering en ontbureaucratisering ten spijt. Het eigenlijke werk komt daardoor in de verdrukking. Het gevolg? De passie dooft uit.
Hoe voelt dat om in zo’n situatie te zitten? Er is veel beweging gaande. En ja, nog niet alle raderen lijken soepel op elkaar afgestemd. De maatschappelijke roep om meer vraagsturing, lagere kosten en wat dies meer zij neemt toe. Het appel op de professionals om aan te sluiten op de beleving en behoefte van ouders en jeugdigen die ondersteuning of hulp behoeven neemt toe. En tegelijkertijd moeten wij vaststellen, dat de organisatie van de zorg daar in veel gevallen nog niet op is afgestemd. De impact van ‘het exploreren en aansluiten op de eigen kracht van mensen’ is groot, de onderlinge verhoudingen in gaan schuiven….
De onderlinge verhoudingen gaan schuiven. Inderdaad. Maar vooral op het niveau van de relatie tussen de ondersteuning behoevende inwoners van ons land en de professionals. De rest van het stelsel beweegt niet mee. “Eigen kracht” als credo voor het nieuwe werken kan alleen tot wasdom komen, als ook de werk- en wetgevers dit principe vertalen in hun doen en laten. En, eerlijk is eerlijk, die bewegen nu niet bepaald soepel mee. Hierdoor ontstaan breukvlakken. Op alle niveaus. Een gevaarlijk en sluipend effect is dat de betrokkenheid van professionals op het werk – en belangrijker nog: de mensen die het betreft – afneemt of verdwijnt. Dit effect kondigt zich niet aan, maar uit zich indirect en vertraagd. De teleurgestelde professional wordt minder zichtbaar. Doet steeds minder mee en investeert minder in relaties en samenwerking. ‘Ik doe gewoon mijn ding’, heet het dan. Ik noem dat desinvestering.
De tijd en energie van een zorgprofessional is te verbeelden in drie compartimenten: tijd van waarde, tijd van voorwaarde en tijd van toegevoegde waarde. De tijd van waarde is het primaire proces. Het eigenlijke werk. Dat is waar ouders en kinderen voor komen en waarvoor de professional heeft geleerd.
De tijd van voorwaarde gaat op aan activiteiten die min of meer worden gedicteerd door in- en externe eisen: registreren, organiseren, onderhandelen, afstemmen, programma’s volgen, beheerstaken uitvoeren, etc. En natuurlijk moet er tijd van voorwaarde worden ingeruimd. Maar wel in verhouding.
De tijd van toegevoegde waarde, bestemd voor activiteiten die inspireren en trots maken en die professionals gaande houden, ligt voor de meeste professionals in het optimaliseren van de tijd van waarde: het primaire proces. Zij willen ‘het echte werk’ zo goed mogelijk doen, met aandacht voor de mensen, met hoofd en hart.
Het probleem van de huidige ontwikkelingen is dat activiteiten die onder de noemer van ‘toegevoegde waarde’ vallen, meestal minder urgent en belangrijk lijken dan het primaire proces of het scheppen van voorwaarden. Zij moet – onder de permanente druk van meer productie in minder tijd –vaker gezocht en bevochten worden. En de toenemende complexiteit van onze stelsels en het krachtenveld waarbinnen zij opereren, vraagt ook steeds meer tijd van voorwaarde. Hiermee wordt – naar mijn stellige overtuiging – de eigen inspiratie en ontwikkeling een ‘onderwaterhypotheek’.
De omvorming (transformatie) van ons zorgstelsel heeft er belang bij om voor álle zorgprofessionals condities te scheppen waarin zij toekomen aan de tijd van toegevoegde waarde. Dit vraagt het scheppen van ruimte voor kwaliteit, aandacht, service en passie. Ook in de tijd van voorwaarde kan nog meer worden gedelegeerd. En geloof mij, dat zal leiden tot efficiencyverbetering. Het geheim? Minder overhead, minder controle en minder overleg. Wanneer wij dat mogelijk maken, kunnen wij rekenen op geïnspireerde en creatieve professionals.
Overheden en organisaties die professionals zo ondersteunen zullen er – net als de ondersteuning behoevende inwoners – bij winnen. Want het bieden er erkennen van toevoegende waarde, zal de passie doen toenemen, de wil om te excelleren stimuleren en een bron van innovatie ontsluiten. Iets doen waar je van houdt en waar je plezier aan beleefd is immer de sleutel tot succes. Vol energie en fluitend naar je werk en met een voldaan gevoel thuiskomen, is ideaal! Zodra jij je werk als plezierig ervaart, is het geen werk meer!
Werk is voor veel professionals in de zorg eerder een last dan een lust geworden. Ze doen het dwangmatig, zonder plezier. Werken zichzelf voorbij en – niet zelden – raken zelfs opgebrand. Met zijn allen lopen wij hierdoor veel energie en vitaliteit mis. Werk waar professionals hun ei in kwijt kunnen en zichzelf kunnen zijn – hun passie en talenten kunnen exploreren – werkt stimulerend. Gebruik die wetenschap (en hun talenten)!
Paul,
Je slaat de spijker op zijn kop. Ik merk het ook bij mijn collega’s die zulke professionals met passie zijn. Ze krijgen van mijn werkgever de ruimte en dat maakt ze echt gelukkig en komt het werk zeer ten goede. De organisatie is tegen de verdrukking in helemaal gericht op het scheppen van ruimte om de professionals hun vak te laten doen. We investeren heel veel in de teams, hun opleiding, hun drive, intervisie etc. We hadden afgelopen jaren geen wachtlijsten voor kinderen/ouders maar voor sollicitanten die allemaal uit dat knellende harnas van protocollen en verantwoordingen wegvluchten.
Evenwel, de ruimte lijkt nu steeds kleiner te worden. Zorgverzekeraars stellen steeds vaker zonder benul van jeugdzorg en jeugdGGZ de meest bizarre dan wel standaard-eisen, willen ze ‘een contract’ met je sluiten en anders geen vergoeding (of te weinig). Gemeente dreigen diezelfde kant op te gaan door het stokje van zorgverzekeraars voor zoete koek over te nemen of zelfs zorgverzekeraars op te dragen voorlopig GGZ maar ‘in te kopen’ namens gemeenten, omdat gemeenten zelf ook weinig benul hebben (maar dat weten ze tenminste!). Dat zou echt een gemiste kans zijn voor gemeenten en uiteindelijk voor hun kinderen! En dan worden onze professionals wederom ongelukkig, want het harnas snoert dan weer als vanouds.
Mechtild Rietveld (Opvoedpoli)
Pp. Mooi artikel. Herkenbare benadering waar de hulpverlener wel en niet zijn energie uit haalt. De uitdaging bij de 3D ‘ s ligt m.i. vooral in verminderen van de ‘ tijd van voorwaarde’ . Het grote aantal bestuurders, ambtenaren en transitie managers en instellingen die bij deze 3 D zijn betrokken is daarbij een fors afbreukrisico. Vooral als deze op zich zeer betrokken en geengageerde mensen achter hun Pc plaats nemen en beleid gaan maken , protocollen gaan opstellen, regels gaan afspreken, contracten en arrangementen in detail gaan uitwerken. Nauwelijks te voorkomen tenzij het in de nieuwe wetgeving wordt opgenomen dat er niet meer dan 1 a4 beleid mag worden gemaakt. Of beter nog dat er voor elke nieuwe regel/ wet etc 2 andere moeten verdwijnen.
Ha Peter Paul, Je ben weer helemaal terug. Ik ga met je mee op deze weg.