Elke maand krijg ik van mijn werkgever mijn salaris. Dit salaris is te beschouwen als een ontschot budget. Binnen de grenzen van dat ontschot budget heb ik – (lees: heeft mijn gezin) – vrijheid van keuze bij de concrete invulling van de uitgaven. Daarbij natuurlijk rekening houdend met eerder aangegane en terugkerende verplichtingen.

De uitgaven van mijn gezin kennen – zoals dat waarschijnlijk bij velen het geval is – per periode verschillende accenten. Aan het begin van het jaar is er – vanwege het eigen risico – meer budget nodig voor de ziektekosten. Later in het jaar is er – vanwege de jaarafrekening – meer financiële ruimte nodig voor energie. Op andere momenten vragen verjaardagen, reparaties aan of onderhoud van huis dan wel auto extra middelen.

Per saldo lukt het gelukkig elk jaar weer om alle noodzakelijke dan wel gewenst uitgaven gedekt te zien met de inkomsten. Door de tering naar de nering te zetten. En door tussen de verschillende budgetten te schuiven. Waarbij ik mij gelukkig prijs met de mij en mijn gezin gegeven vrijheid van keuze bij de concrete invulling daarvan.

Zou mijn salaris voor elk van de afzonderlijke kostensoorten aan een maximum gebonden zijn, dan zou ik aan het einde van menige kalendermaand zwaar zijn vastgelopen. Zeker en vast wanneer ik onderbesteding binnen een bepaalde kostensoort zou moeten terugbetalen. Of wanneer overbesteding van een bepaalde kostensoort ‘voor eigen rekening’ zou komen.

Ik vertel u dit, omdat de zorg en hulp van veel Nederlanders juist gebukt gaat onder een juk van financiële versnippering. Zo valt de huishoudelijke hulp (nog) onder de Wmo, komt de persoonlijke verzorging uit de AWBZ en betaalt de zorgverzekeraar de rollator. Voor inkomens- en werkvoorzieningen hebben wij weer (meerdere) andere regelingen.

Deze gefragmenteerde financiering leidt tot schotten in de zorg. Oorspronkelijke doelen van zorg en ondersteuning raken daardoor uit het oog verloren, classificaties gaan een eigen leven leiden en financiële prikkels leiden tot verkeerde handelingen.

De schotten die er tussen de verschillende vormen van bekostiging bestaan, hebben er zo toe geleid dat niemand zich verantwoordelijk voelt voor integrale zorg. Daarom, zo begreep langzaam maar zeker iedereen, moest de financiering worden aangepast. En zo ook besloten de achtereenvolgende kabinetten Rutte I en Rutte II.

“Er komt één budget voor de taken binnen het sociaal domein: werk, begeleiding en jeugd,” zo beloofde Rutte II. En een coördinerend bewindspersoon wordt verantwoordelijk gesteld om de daarvoor in gang gezette decentralisaties in goede banen te leiden. Dat althans belooft het regeerakkoord (oktober 2012). Dit alles moet er ook toe bijdragen dat de eigen kracht, het sociale netwerk en de voorzieningen in een gemeente beter worden benut.

Gemeenten krijgen dus – net al u en ik thuis – ruime(re) beleidsvrijheid bij de concrete invulling van de gedecentraliseerde voorzieningen. Bestaande (financiële) schotten tussen stelsels worden daartoe aangepast en weggenomen wanneer die deze beweging in de weg staan. Integraal lokaal maatwerk leidt – zo meent het kabinet – tot betere, efficiëntere en effectievere dienstverlening aan de burger.

Belangrijk onderdeel van deze plannen is dus het weghalen van belemmeringen in de bekostiging. De gemeenten kunnen de te decentraliseren taken alleen waarmaken als sprake is van een échte overdracht van taken en budgetten. Dit maakt het de gemeenten mogelijk om zelf op lokaal niveau, dicht bij de burgers arrangementen op maat te creëren. Belangrijke condities daarbij zijn:
• een grote vrijheid om lokaal keuzes te maken;
• voldoende financiële regelruimte om dwarsverbanden tussen de verschillende taken te leggen.

Zie daar de argumentatie voor een ontschot budget voor het sociale domein.

Deze argumentatie en condities worden tussen de verschillende overheden keer op keer gewisseld, onderschreven en onderstreept. En dus rekent iedereen er op dat alles en iedereen zich daarvoor zal inzetten. Toch?

Vergeet het maar. De ene hand van de overheid weet vaak niet wat de andere doet. Sterker nog, trekt zich daar niets van aan. Want wat laat vervolgens Ronald Plasterk – sinds 5 november 2012 minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in het kabinet-Rutte II en coördinerend bewindsman voor de grootste decentralisatieoperatie ooit – in de tweede week van januari 2013 weten: “Ontschot budget of niet, gemeenten zullen de uitgaven per decentralisatie straks apart moeten verantwoorden.”

In één adem voegt hij er aan toe dat nog onduidelijk is hoe en in welke mate de miljarden euro’s voor de drie decentralisaties binnen het sociaal domein ‘ontschot’ naar gemeenten worden overgeheveld. Hij wil zich daar nog niet op vastpinnen. “Hoe je het ook inricht; je zult het altijd apart moeten administreren,” zo stelt Plasterk.

Een verklaring voor deze perverse houding heb ik nog niet kunnen vinden. Ik ben dan ook benieuwd naar de inhoudelijke onderbouwing die de minister hiervoor heeft. En ik hoop dan, dat die onderbouwing steviger is dan de houdbaarheid van zijn opvattingen over grootschaligheid. Want was het niet Ronald Plasterk die eind 2008 aankondigde fusies van scholen een halt toe te willen roepen? “Omdat de menselijke maat terug moet in het onderwijs.” aldus Plasterk. Terwijl diezelfde Plasterk nu als minister van BZK de menselijke schaal met geweld uit het openbaar bestuur lijkt te willen slaan!

Perversiteit is – zo heb ik geleerd – ten diepste het gevolg van het feit dat er meervoudige belangen en perspectieven aanwezig zijn. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat Plasterk met het aan de achterkant weer afschotten van de ontschotting gewoon op zoek is naar een nieuw instrument om die andere (zijn eigen) agenda – de bestuurlijke opschaling van Nederland – nieuw perspectief in te blazen.

Tegenkracht en kritische geluiden zijn daarom nu essentieel. Om te voorkomen dat de zucht naar grootschaligheid op de loop gaat met de coördinerend bewindsman decentralisaties. En daarmee met de kwaliteitsslag die de transformatie van het sociaal domein – met behulp van een ontschot budget – beoogt en mogelijk maakt.