Soms laat een tv‑interview meer zien door wat er níet wordt gezegd, dan door wat er wél wordt uitgesproken. Het gesprek dat Ahmed Aboutaleb als voorzitter van Jeugdzorg Nederland onlangs bij WNL voerde, is daar een pijnlijke illustratie van.

Op het eerste gehoor klonk het als de verfrissende systeemanalyse waar velen al jaren om vragen: een bestuurder die durft te zeggen dat de jeugdzorg te groot, te duur, te risicomijdend en te weinig effectief is geworden. Maar wie beter luistert, hoort geen open zelfonderzoek van een sector in crisis, maar een branchepolitieke interventie waarin de dominante spelers zich als slachtoffer presenteren en de schuld verplaatsen naar een amorfe buitenwereld vol “markt”, “commercie” en “cowboys”.

Precies daar schuurt het – en precies daar raakt dit interview aan de kern van wat op Verruim de Horizon al jaren wordt beschreven: hoe systeemlogica het verhaal kaapt, terwijl de levens van kinderen, ouders en professionals buiten beeld raken.

Een dominante speler die zich als slachtoffer presenteert

In de analyse “De krokodillentranen van Jeugdzorg Nederland” wordt dat mechanisme haarscherp ontleed. Jeugdzorg Nederland zegt 120 leden te hebben en claimt dat die samen 80 procent van de jeugdzorg leveren, met een sterke focus op het zware, gedwongen en specialistische deel van het stelsel.

Wie dat naast elkaar legt, kan eigenlijk maar tot één conclusie komen: Jeugdzorg Nederland is geen lijdende partij in een ontspoorde markt, maar de dominante kern in een gefragmenteerde periferie.

Voor de duizenden andere aanbieders – van kleinschalige praktijken en gezinshuizen tot zelfstandige professionals – blijft dan een relatief klein deel van cliënten en budget over, met gemiddeld slechts een handvol tot enkele tientallen kinderen per aanbieder per jaar.

Dat maakt het slachtofferverhaal ongeloofwaardig: wie zo’n groot marktaandeel heeft, kan niet met droge ogen doen alsof de echte problemen vooral “bij de rest” zitten.

De eerlijke vraag zou moeten zijn: hoe is het mogelijk dat een speler die 80 procent van de zorg en waarschijnlijk nog meer van het budget aantrekt, er zélf niet in slaagt kwaliteit, veiligheid en legitimiteit op orde te brengen?

In het interview zet Aboutaleb een harde tegenstelling neer: zijn 120 leden zouden gecertificeerde, niet op winst gerichte, serieuze spelers zijn, terwijl alles daarbuiten “in de commercie” zit en “bijna altijd gericht is op het maken van winst”.

Met één zin worden duizenden aanbieders op één hoop gegooid en moreel verdacht gemaakt, zonder enig bewijs dat winstgerichtheid automatisch slechtere of onveiligere zorg oplevert.

Dat frame is niet alleen oneerlijk, het is ook historisch onhoudbaar.

Veel van de grote schandalen in de jeugdzorg – van Vlaardingen en Woodbrookers tot ZIKOS en structureel onveilige gezinshuizen – speelden zich juist af bij grote, gevestigde, door de overheid gefinancierde instellingen, midden in het domein van gecertificeerde partijen.

Tegelijk reduceert Aboutaleb de professional buiten zijn kring tot een karikatuur: iemand die “niets te doen heeft”, een hypotheek moet afbetalen en morgen wel even een jeugdzorgaanbieder begint.

De werkelijkheid is dat jeugdhulpaanbieders zich moeten melden, voldoen aan wettelijke kwaliteitseisen, werken met normen voor verantwoorde werktoedeling en vaak onder hoge registratie‑ en scholingsdruk dagelijks proberen te doen wat wél werkt.

Zo verandert terechte zorg over perverse financiële prikkels in een moreel frame waarin een dominante branche zichzelf als moreel zuiver neerzet en de rest van het veld als verdacht en opportunistisch.

Het resultaat: niet meer helderheid, maar meer wantrouwen in een sector die juist meer onderling vertrouwen nodig heeft om beter voor kinderen te zorgen.

Bijzonder pijnlijk wordt het wanneer Aboutaleb een casus aanhaalt die hij zelf presenteert als toonbeeld van een ontspoorde jeugdzorg: een tante die voor haar nichtje wil zorgen nadat de moeder is overleden, maar verstrikt raakt in procedures, begeleide contactmomenten en juridische trajecten.

Het is een verhaal over rechters, advocaten, dwangmaatregelen en een systeem dat de natuurlijke netwerkoplossing verdringt.

Alleen: dit is helemaal niet de vermeende buitenwereld van commerciële cowboys en snelle zorgondernemers. Dit is het dwangkader – het domein van kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering en gecertificeerde instellingen, dus precies het hart van de leden van Jeugdzorg Nederland.

Het voorbeeld dat bedoeld is om de ontspoorde markt aan te klagen, legt onbedoeld bloot hoe diep de fouten juist zitten in het gedeelte van de sector waar de eigen leden “in the lead” zijn.

Niet de rand van de sector, maar de kern van het stelsel laat hier zien hoe juridisering, risicomijding en systeemlogica relaties verdringen.

Dat maakt dit fragment onthullend: in een bijna propagandistisch pleidooi voor de eigen achterban kiest Aboutaleb een casus die zijn eigen frame onderuit haalt. Het is precies het soort systeemblindheid dat op Verruimde Horizon vaker wordt beschreven: denken dat je over “de sector” praat, terwijl je feitelijk vooral je eigen machtspositie verdedigt.

Op Verruim de Horizon staat het stelsel zelden centraal als vertrekpunt.

De blogs beginnen bij de wasserette op de hoek, het buurtrestaurant, het plein waar kinderen spelen en ouderen een praatje maken, of de keukentafel waar een bewoner zijn stapel brieven opzijschuift om eindelijk eens over zijn echte zorgen te praten.

Daar verschijnt een ander verhaal dan het wij‑tegen‑zij frame van markt versus publieke instellingen. Het is het verhaal van wat Jan‑Kees Helderman een “polycentrisch labyrint” noemt: mensen, regels, financieringsstromen en leefwerelden die in elkaar grijpen, en professionals die proberen de goede dingen te doen binnen een doolhof dat ze niet zelf hebben gebouwd.

Het gedachtegoed van een verruimde horizon staat voor een verruimd pragmatisme in het sociaal domein:  

  • We accepteren dat we de toekomst niet kunnen dichtregelen.
  • We organiseren zorg en ondersteuning dichtbij, relationeel en wijkgericht, in plaats van primair via centrale ketens en contracten.
  • We ontwerpen governance rond leren in plaats van afrekenen en reputatiebescherming.
  • En we toetsen grote woorden – over stelsel, marktwerking en veiligheid – aan de ervaringen van die ene inwoner tussen wet en huiskamer.

Precies dat ontbreekt in het optreden van Jeugdzorg Nederland zoals in het interview zichtbaar werd: het begint bij het stelsel en eindigt bij het afschuiven van verantwoordelijkheid, in plaats van bij de vraag wat er van dichtbij misgaat als je als tante je nichtje in huis wilt nemen.

De analyse wijst op nog een ander risico: in een sector die draait op samenwerking tussen gecertificeerde instellingen, gemeenten, kleine aanbieders, ggz, onderwijs, huisartsen, pleegzorg en informele netwerken, is het bestuurlijk zelfdestructief om grote delen van het veld moreel te besmetten. Je bouwt geen weerbare, zorgzame samenleving door bondgenoten tot tegenstanders te maken.

In blogs op Verruim de Horizon wordt dat keer op keer op een andere manier zichtbaar: 

  • In de oproep om “de verkeerde afslag in het sociaal domein” terug te draaien, door niet opnieuw te bezuinigen op nabijheid, publieke ruimte en relationele infrastructuur.
  • In de voorbeelden van sociale verbondenheid als vergeten fundament, waar beleid rond het individu is georganiseerd en de relationele context uit beeld is gedrukt.
  • In de pleidooien om van angst en beheersing over te stappen naar vertrouwen, ruimte en gezamenlijke veerkracht.

Daaruit groeit een ander type leiderschap dan wat het WNL‑interview liet zien. Niet het leiderschap van de grote oneliner en het scherpe onderscheid tussen “goeie” en “foute” partijen, maar paradoxaal leiderschap dat bereid is om eigen privileges, fouten en blinde vlekken net zo hard te bevragen als die van anderen.

Dat begint bij een andere vraag.  Niet: hoe redden we “de sector” als instituut, maar: hoe maken we de samenleving en onze lokale netwerken weerbaar en zorgzaam, met minder systeemschade en meer ruimte voor menselijkheid?

De analyse van het interview met Aboutaleb komt uiteindelijk tot een simpele maar scherpe conclusie: zolang een dominante speler zich voordoet als slachtoffer en zijn eigen rol in de grootste misstanden niet onder ogen wil zien, blijven we steken in krokodillentranen. We horen ferme taal, maar zien weinig bereidheid om het eigen huis kritisch te bekijken.

De beweging waar Verruim de Horizon voor pleit, vraagt precies het omgekeerde:

  • Draai het verhaal om en begin bij de straat, de keukentafel, het buurthuis en de school, niet bij de talkshowtafel.
  • Zie dat systeemfalen zelden alleen “bij de markt” ontstaat, maar ook diep geworteld is in cultuur, bestuurslogica, juridisering, reputatiemanagement en macht.
  • Ontwerp een sociaal domein dat niet alleen beter stuurt, maar vooral beter luistert – naar kinderen, ouders, professionals en buurten.

Misschien is dat de uitnodiging die na dit interview en deze analyse blijft liggen: niet nóg een ronde stelselretoriek, maar de moed om de horizon echt te verruimen – en daarmee het systeem te decentraliseren ten gunste van de samenleving die we zeggen te willen beschermen.