
Waarom de kamerbrief over zzp’ers mooie woorden biedt, maar geen echte duidelijkheid – en welke Kamervragen nu nodig zijn.
De brief die het kabinet gisteren naar de Tweede Kamer stuurde, heeft een mooie titel: “Kabinetskoers van rust en duidelijkheid onder zelfstandigen”. Rust. Duidelijkheid. Erkenning. Het zijn precies de woorden waar veel zzp’ers in Nederland al jaren naar verlangen.
Toch schuurt er iets.
Want wie de brief naast de dagelijkse praktijk legt – de rekenende zzp’er aan de keukentafel, de manager in het sociaal domein die vastloopt op inhuur, de publieke euro’s die wegvloeien naar tussenbureaus – ziet een ongemakkelijke kloof tussen de politieke belofte en de concrete werkelijkheid.
Rust in Den Haag, onrust aan de keukentafel
In de brief zet de minister een aantal stappen neer die op papier logisch klinken:
- Het “verduidelijkingsdeel” van VBAR gaat van tafel; het bestaande toetsingskader (jurisprudentie) wordt gepubliceerd, zodat iedereen beter weet waar hij of zij aan toe is.
- Het rechtsvermoeden van werknemerschap onder de 38 euro per uur gaat door, met een duidelijke deadline voor inwerkingtreding.
- Er komt een campagne “zo kan zzp wél”, bedoeld om te laten zien hoe je binnen de regels met zelfstandigen kunt werken.
Dat klinkt als een ademteug na jaren van moeizame discussies en halfbakken oplossingen. Maar voor veel zzp’ers voelt het anders: niet als rust, maar als een soort stil vallende storm. De dreiging blijft in de lucht hangen, de wolken zijn niet weg, maar het waait nét even minder hard.
De kernvraag is namelijk nog precies dezelfde als drie, vijf of zeven jaar geleden: “Kan ik met deze zzp’er, voor deze klus, op deze plek, nog veilig een overeenkomst sluiten zonder dat ik over een paar jaar een naheffing of rechtszaak op m’n bord krijg?”
Zolang de praktijk hier geen eenvoudig, eerlijk en gedeeld antwoord op heeft, blijven zzp’ers en opdrachtgevers rekenen, gokken en twijfelen.
Handhaving als zekerheid – voor wie?
Het kabinet is uitgesproken: er komt geen “zigzagbeleid” meer. Het handhavingsmoratorium is voorbij, de Belastingdienst blijft handhaven en dat is – volgens de brief – nodig voor bewustwording en een gelijk speelveld.
Ook dat klinkt goed. Natuurlijk is schijnzelfstandigheid onwenselijk. Natuurlijk moeten werkgevers die structureel regels ontduiken worden aangesproken. Maar in de praktijk van de Wet DBA betekent “handhaving” vaak iets anders:
- Opdrachtgevers die in paniek de deur voor zzp’ers dichtgooien “om gedoe te voorkomen”.
- Organisaties die dezelfde mensen alsnog inhuren – maar dan via een detacheringsbureau, tegen hogere tarieven en met minder zeggenschap voor de professional.
- Zzp’ers die opdrachten zien verdampen, niet omdat het werk opeens onrechtmatig is, maar omdat niemand zeker durft te zeggen dat het wél mag.
De prijs van twijfel wordt zo betaald door drie groepen:
- De zzp’er die opdrachten en bestaanszekerheid ziet weglekken.
- De publieke organisatie die duurder uit is en flexibiliteit verliest.
- De belastingbetaler, die meebetaalt aan extra schijven in de keten in plaats van aan inhoudelijke kwaliteit.
Handhaving zonder heldere, eenvoudig toepasbare grenzen verplaatst het risico alleen maar – het lost het niet op.
Extern ondernemerschap: erkenning met een handleiding in fine print
De brief besteedt terecht aandacht aan extern ondernemerschap: de Hoge Raad en recente uitspraken (zoals bij Uber) maken duidelijk dat ook de activiteiten van de zelfstandige búiten de specifieke opdracht meetellen bij de beoordeling.
Dat is voor veel zzp’ers goed nieuws. Eindelijk erkenning dat:
- Het hebben van meerdere opdrachtgevers;
- Investeren in eigen ontwikkeling, marketing en materiaal;
- Het lopen van reëel ondernemingsrisico
méér is dan decor. Het zijn inhoudelijke aanwijzingen dat iemand ondernemer is, geen verkapte werknemer.
Maar hoe vertaalt dit zich naar de praktijk?
De brief zegt: we nemen het mee in de webmodule, we passen de leidraad aan, we publiceren een beslis- en afwegingskader. Allemaal nuttig, maar nog steeds sterk systeem-georiënteerd.
Wat ontbreekt, is een handzaam, eerlijk en kort antwoord op drie simpele vragen:
- Wanneer mag ik als publieke organisatie voluit kiezen voor een echte zzp’er, zonder angst voor terugwerkende herkwalificatie?
- Wat moet die zzp’er, concreet en aantoonbaar, regelen om als ondernemer erkend te blijven?
- Welke grens trekt de Belastingdienst zelf: wat vinden we niet alleen juridisch houdbaar, maar ook maatschappelijk wenselijk?
Zonder dat soort vuistregels blijft “extern ondernemerschap” een mooie juridische term in de wandelgangen, maar geen bruikbaar houvast in de vergaderzaal.
Zelfstandigenwet: nieuwe vlag, zelfde lading?
De minister kondigt een Zelfstandigenwet aan op basis van het initiatiefvoorstel van meerdere partijen. Het doel: vooraf meer duidelijkheid over wanneer iemand géén werknemer is, en tegelijk vastleggen welke verantwoordelijkheden bij de zelfstandige horen (onder meer via een verplichte AO‑verzekering).
Opnieuw: op hoofdlijnen verstandig. Een volwassen arbeidsmarkt vraagt om volwassen keuzes en wederkerige verantwoordelijkheden.
Toch bekruipt je als lezer van de brief een déjà vu:
- Er is geen helder zicht op de criteria die het onderscheid werknemer/zzp daadwerkelijk eenvoudiger gaan maken.
- Er is geen concreet perspectief op overgangsrecht voor mensen en organisaties die nu al jarenlang tussen wal en schip vallen.
- Er is geen duidelijke toezegging over de positie van zelfstandigen in sectoren waar de overheid zelf grote opdrachtgever is (zorg, onderwijs, sociaal domein).
Zonder die drie elementen dreigt de Zelfstandigenwet een nieuwe schil om hetzelfde probleem te worden: de Wet DBA onder een nieuwe naam, met een andere folder, maar dezelfde twijfel.
De overheid als voorbeeld – maar wel voor wat?
De Rijksoverheid wil “het goede voorbeeld” geven: schijnzelfstandigheid naar nul terugbrengen, maar zzp’ers niet categorisch uitsluiten.
Dat is een belangrijke uitspraak. Maar hij roept minstens zoveel vragen op als hij beantwoordt:
- Hoe wordt “niet categorisch uitsluiten” geborgd in inkoopkaders en aanbestedingen?
- Wat betekent dit voor gemeenten, zorginstellingen en andere publieke organisaties die nu risicomijdend gedrag ontwikkelen en de deur voor zzp’ers juist verder dichtdoen?
- En misschien wel de spannendste: hoe transparant wordt er publiek verantwoording afgelegd over de kosten van fouten, boetes en naheffingen?
Zolang naheffingen of correcties stilzwijgend worden weggemasseerd in jaarrekeningen en begrotingen, blijft de echte prijs van twijfel onzichtbaar.
Naar een eerlijkere discussie: benoem de prijs van twijfel
Wat deze kamerbrief vooral laat zien, is dat we op een kruispunt staan.
Aan de ene kant: het oprechte verlangen van het kabinet om rust, duidelijkheid en erkenning voor zelfstandigen te organiseren. Aan de andere kant: een hardnekkige praktijk waarin regels, handhaving en risicomijding samen een soort mistgordijn vormen waar zzp’ers én publieke organisaties hun weg in moeten zoeken.
Misschien is het tijd om de discussie eerlijker te voeren. Niet alleen in termen van “gelijk speelveld” en “handhaving”, maar ook in termen van:
- Het aantal uren dat in inkoop, juridische toetsing en interne overleggen verloren gaat aan twijfel;
- De meerkosten die publieke organisaties maken door via detacherings- en bemiddelingsbureaus in te huren wat ook rechtstreeks had gekund;
- De professionals die afhaken uit zorg, onderwijs of sociaal domein, omdat het te onvoorspelbaar is geworden om daar als zelfstandige te werken.
Zolang we die prijs van twijfel niet in beeld brengen, blijft elk gesprek over rust en duidelijkheid een gesprek op halve kracht.
Kamervragen die wél over de praktijk gaan
Om de kloof tussen papieren rust en dagelijkse onzekerheid kleiner te maken, zijn scherpe, maar constructieve Kamervragen nodig. Bijvoorbeeld deze:
1. Impact op publieke capaciteit
Is het kabinet bereid om – vóór de zomer van 2026 – een onafhankelijke impactanalyse naar de Kamer te sturen over de gevolgen van de huidige Wet DBA‑handhaving voor de beschikbaarheid van zzp‑capaciteit in zorg, onderwijs, jeugdzorg en sociaal domein, inclusief inzicht in het aantal opdrachten dat sinds het einde van het handhavingsmoratorium is weggevallen?
2. Prijs van tussenpersonen
Kan het kabinet inzichtelijk maken hoeveel extra publieke middelen (Rijk, gemeenten, uitvoeringsorganisaties) jaarlijks gemoeid zijn met het inhuren van zelfstandigen via tussenpersonen (detacheerders, brokers, consultancybureaus) in situaties waar direct inhuren juridisch óók mogelijk zou zijn, en hoe deze “prijs van twijfel” zich heeft ontwikkeld sinds de invoering van de Wet DBA? Of, hoeveel geld er door het detacheringsbureau wordt afgeroomd van de ZZP-er in loondienst?
3. Concretisering “geen categorische uitsluiting”
Hoe gaat het kabinet de uitspraak dat zzp’ers niet categorisch mogen worden uitgesloten concreet verankeren in rijksbrede inkoop- en inhuurkaders, en welke guidance krijgen decentrale overheden en (semi)publieke instellingen om dit voorbeeld te volgen?
4. Praktisch toetsingskader boven de webmodule
Is het kabinet bereid om naast de bestaande webmodule een kort, praktijkgericht toetsingskader (maximaal twee pagina’s) te ontwikkelen in gewone taal, waarin met voorbeelden wordt aangegeven in welke typen opdrachten en samenwerkingen zelfstandige inzet wél mogelijk is, en dit samen met zzp‑organisaties en publieke opdrachtgevers op te stellen?
5. Transparantie over naheffingen en boetes
Op welke wijze worden naheffingen en boetes die voortkomen uit de Wet DBA bij rijksdiensten en uitvoeringsorganisaties zichtbaar en afzonderlijk verantwoord in jaarverslagen en begrotingen, en kan het kabinet toezeggen dat deze lasten niet ten koste gaan van inhoudelijke beleidsbudgetten voor zorg, jeugd, onderwijs en sociaal domein?
6. Rol van extern ondernemerschap
Hoe wordt geborgd dat het criterium “extern ondernemerschap” in de beoordeling van arbeidsrelaties op een consistente, transparante en voor zzp’ers verifieerbare manier wordt toegepast, en welke mogelijkheden krijgen zzp’ers om hun ondernemerschap vooraf aantoonbaar te laten meewegen in de risicobeoordeling van opdrachtgevers?
7. Overgang naar een Zelfstandigenwet zonder nieuwe mist
Hoe voorkomt het kabinet dat de beoogde Zelfstandigenwet in de praktijk neerkomt op een nieuwe juridisch-technische schil om dezelfde DBA‑problematiek, en welke concrete waarborgen worden ingebouwd om te voorkomen dat bestaande, maatschappelijk waardevolle zzp‑praktijken alsnog worden weggedrukt door risicomijdend gedrag?
Als de politiek rust en duidelijkheid wil bieden, zal ze eerst eerlijk moeten kijken naar de prijs van twijfel. Deze vragen kunnen daarbij een begin zijn.