Een paar jaar geleden spraken we er vooral óver: zouden mensen met een langdurige psychische kwetsbaarheid niet óók toegang moeten krijgen tot de Wlz, als hun behoefte aan toezicht en zorg in de nabijheid eigenlijk niet meer voorbijgaat? 


Bureau HHM heeft in opdracht van VWS onderzocht wat die keuze sinds 2021 in de praktijk heeft opgeleverd: voor cliënten, naasten, gemeenten, zorgkantoren en aanbieders. Hun evaluatie laat een genuanceerd beeld zien: veel winst in rust en stabiliteit, maar ook hardnekkige knelpunten voor juist de meest complexe casuïstiek. Vanuit die uitkomsten is deze blog geschreven – niet om met de vinger te wijzen, maar als uitnodiging om samen anders te kijken én anders te doen.

We hebben met de openstelling van de Wlz voor mensen met een psychische kwetsbaarheid iets groots geprobeerd: meer rust, meer stabiliteit, meer rechtvaardigheid. Geen tijdelijke opvang meer, maar een basis. En dat is – voor veel mensen – ook echt gelukt. Maar tussen de regels door lezen we iets anders mee: voor een kleine, maar juist heel kwetsbare groep lukt het nog steeds niet om een passende plek te vinden. Dáár begint het ongemak. En misschien ook precies de uitnodiging om anders te gaan kijken en doen.

In de evaluatie zie je hoe sterk het systeemdenken nog altijd aanwezig is. Wlz, Wmo, Zvw: drie schotten, drie logica’s, drie budgetten. Terwijl het voor mensen met een langdurige psychische aandoening in de kern om iets anders gaat: een stabiele basis, met voldoende ruimte om – als het kan – stappen te zetten in herstel, ontwikkeling, relaties, wonen.

Voor een grote groep werkt de Wlz daarin merkbaar beter dan de voortdurende herindicaties onder de Wmo. Er komt rust. De druk om steeds te laten zien dat je ‘ ervoor gaat’ neemt af. De angst om uit te stromen en weer opnieuw te moeten beginnen wordt kleiner. Maar diezelfde levenslange indicatie voelt voor anderen als een stempel: “Dit blijft dus zo. Voor altijd.” Dat dubbele zit door het hele rapport heen.

De uitdaging is dus niet óf Wlz of Wmo, maar: hoe verbinden we die stelsels zó dat het mensenleven er beter van wordt?

De auteurs benoemen een kleine groep mensen voor wie de openstelling eigenlijk niet heeft gebracht wat werd beoogd. Denk aan mensen met:

  • Een combinatie van psychiatrische problematiek, een verstandelijke beperking en verslaving
  • Sterk fluctuerende zorgbehoefte  
  • Een heel kwetsbaar netwerk, of helemaal geen netwerk  

Zij hebben soms wél een indicatie, maar nog steeds geen passende (woon)plek. Of de zorg sluit niet aan op de grilligheid van hun leven. De profielen en arrangementen sluiten dan niet genoeg aan op wat er echt nodig is.

Juist in die casuïstiek zie je hoe scherp de grenzen tussen Wmo, Wlz, Zvw en straf/veiligheidsdomein worden. En hoe vaak iemand precies in die grenzen blijft hangen. Dat is geen onwil, maar een logisch gevolg van hoe we het met elkaar ingericht hebben.

De uitnodiging: deze groep niet zien als restcategorie, maar juist als toetssteen voor hoe passend ons stelsel eigenlijk is.

Mooi aan de evaluatie is de keuze om te werken met drie logica’s van passende zorg: de zorglogica (zorg op maat), de regellogica (rechtsgelijkheid) en de verdeellogica (doelmatige inzet van middelen). Als je die drie brillen tegelijk durft op te zetten, ontstaat er ruimte om anders te handelen zonder direct in verwijt of schuld te schieten.

Vanuit de zorglogica vragen we: wat heeft deze persoon, in deze context, nú nodig om een zo stabiel en betekenisvol mogelijk leven te kunnen leiden? 

Vanuit de regellogica: hoe zorgen we dat vergelijkbare situaties vergelijkbaar behandeld worden en dat het besluit uitlegbaar en controleerbaar is? 

Vanuit de verdeellogica: hoe verdelen we schaarse middelen zó dat we niet alleen vandaag, maar ook morgen zorg kunnen blijven bieden?

In de praktijk laten we vaak één van die drie domineren. Dan wordt het óf puur rechtmatigheid (‘mag niet van de wet’) óf puur budget (‘er is geen plek meer binnen dit arrangement’), óf puur persoon (‘voor deze ene cliënt maak ik een uitzondering’). De evaluatie nodigt uit om bewust te oefenen in het stapelen van die drie brillen.

Hoe kun je, als gemeente, zorgkantoor, aanbieder of professional, met deze evaluatie in de hand, morgen iets anders doen? Vijf uitnodigingen.

  1. Begin bij het verhaal, niet bij de regeling

In bijna alle complexe casussen wordt eerst in regel- en geldtaal gepraat: wie is aan zet, onder welke wet hoort dit, welk profiel past. Probeer het eens om te draaien:

  • Start elk overleg met een kort, gezamenlijk gedragen narratief: wie is deze persoon, hoe ziet zijn/haar dag eruit, wat zijn de belangrijkste bronnen van stress en van steun?  
  • Laat daarna pas de vraag komen: “Wat is er nodig om dit leven stabieler, veiliger of betekenisvoller te maken?”  
  • Pas dán schuiven de stelsels aan als gereedschapskist – niet als hindernisbaan.

  • Werk met gezamenlijke casuïstiektafels als leerplek, niet als doorgeefluik

De evaluatie laat zien dat regionale casuïstiektafels en de bestaande werkagenda’s al in beweging zijn. Het risico is dat zulke tafels verworden tot “lukt niet, volgende casus”-overleggen.

Een andere manier:

  • Gebruik de casuïstiektafel als gezamenlijke leerspiegel: welke aannames over Wlz/Wmo/Zvw spelen hier, welke prikkels voelen we, waar schuurt het? 
  • Leg niet alleen vast wát besloten is, maar vooral: welke afwegingen in zorglogica, regellogica en verdeellogica zijn gemaakt.  

Zo wordt elk ingewikkeld dossier een oefening in cultuurverandering, in plaats van een dossier dat we zo snel mogelijk willen afsluiten.

  • Zie financiële prikkels als signaal, niet als verwijt

In het rapport klinken zorgen door over financiële prikkels: gemeenten die opgelucht zijn als zware casuïstiek naar de Wlz kan, aanbieders die met tarieven worstelen. Dat gesprek wordt snel beladen: “jullie schuiven af”, “jullie willen alleen maar Wlz‑tarieven”.

Wat helpt:

  • Spreek de prikkel uit als feit (“Als we het zo doen, scheelt dat de gemeente X en kost het het zorgkantoor Y”) 
  • En stel dan de vraag: “Wat betekent dit voor de houdbaarheid van beide stelsels? En wat vinden we daar als regio van?”  

Niet om elkaar te betrappen, maar om eerlijk te zijn over hoe het geld nu eenmaal meebeweegt met onze besluiten – en hoe we daar zo transparant mogelijk mee omgaan.

  • Geef expliciet ruimte aan ontwikkeling en herstel binnen de Wlz

De levenslange Wlz‑indicatie brengt rust, maar het risico is dat we – vaak onbewust – ook onze verwachtingen levenslang maken. “Dit is het dan.” Voor jongvolwassenen is dat extra scherp.

  • Neem in elk ondersteuningsplan standaard een ontwikkel- of herstelparagraaf op, ook binnen de Wlz: welke kleine bewegingen zijn denkbaar? 
  • Maak binnen de profielen bewust gebruik van op‑ en afschalen: niet als straf of “
  • Bonus, maar als normaal gevolg van een leven dat beweegt. 
  • Bespreek met cliënten en naasten expliciet: stabiliteit betekent níet dat je nooit meer mag veranderen.  

Zo combineren we de bedoeling van de Wlz (rust en zekerheid) met een mensbeeld waarin groei altijd mogelijk blijft, hoe klein ook.

  • Ontwikkel gericht aanbod voor de bovenkant van de zwaarte

De evaluatie noemt herhaaldelijk dat er voor de meest complexe combinaties – psychiatrie, LVB, verslaving, veiligheid – simpelweg te weinig passend aanbod is. Dan kun je eindeloos schuiven met indicaties en domeinen, maar zonder plekken verandert er weinig.

Een uitnodiging voor regio’s:

  • Breng gezamenlijk (gemeenten, zorgkantoren, aanbieders, woningcorporaties) de bovenkant van de casuïstiek in beeld: hoeveel mensen, wat voor combinaties, welke risico’s? 
  • Ontwikkel op basis daarvan een klein aantal hooggespecialiseerde, regionale voorzieningen of combinatiemodellen, in plaats van te hopen dat bestaande voorzieningen het erbij gaan doen.
  • Betrek hier nadrukkelijk ook het naasten- en ervaringsdeskundig perspectief bij: wat maakt zo’n plek voor hen leefbaar en draaglijk?  

Het gaat niet om nóg een project, maar om het expliciet organiseren van datgene waarvan we nu al weten dat het ontbreekt.

Een mooi voorbeeld van zo’n eerste antwoord uit de praktijk is de bijgevoegde beslisboom voor overbruggingszorg en wachtlijstbeheer Wlz. Die doet precies waar de evaluatie om vraagt: continuïteit van zorg als vertrekpunt nemen, de casusregie expliciet beleggen en het gesprek over geld en verantwoordelijkheden eerlijk voeren zonder de cliënt los te laten. In plaats van weer een extra schema “erbij” is het een uitnodiging aan gemeenten, zorgkantoren en aanbieders om samen – stap voor stap – te organiseren dat niemand tussen indicatie en start van de Wlz nog door de bodem zakt.

De Wlz‑openstelling voor mensen met een psychische aandoening is geen mislukking. Het is een serieuze poging om recht te doen aan een groep die te lang tussen wal en schip zat. De evaluatie laat zien dat dit voor velen werkt – en dat het tegelijk nieuwe vragen oproept over grenzen, houdbaarheid en echte passendheid.

De uitnodiging is misschien deze: durven we de evaluatie niet te lezen als oordeel over verleden beleid, maar als oefenboek voor ons huidige handelen? Met bij elke casus opnieuw drie vragen:

  1. Doen we recht aan het leven en verhaal van deze persoon? 
  2. Doen we recht aan de regels en het gelijkheidsbeginsel?  
  3. Doen we recht aan de gemeenschap en de schaarse middelen die we samen te verdelen hebben?  

Als we die drie vragen niet alleen op papier, maar samen in de praktijk blijven stellen, wordt de openstelling van de Wlz geen eindpunt, maar een volgende stap in het bouwen aan een stelsel dat beter past bij mensenlevens.