
De discussie over jeugdzorg draait vaak om geld: er zou te weinig zijn, de tekorten zouden ons nekken. In een nieuw PONT‑gesprek prikt René Peters die ballon door: niet een gebrek aan middelen, maar een gebrek aan keuzes en grip is het probleem. Als wethouder in de Hoeksche Waard en voormalig Kamerlid zegt hij onomwonden wat ik de afgelopen jaren vaker heb gezien en beschreven: gemeenten betalen bijna alles wat wordt gevraagd, zonder scherp zicht op noodzaak, effect en alternatieven.
Kijk hier het gesprek met René Peters terug: “Jeugdzorg: ‘Niks geldgebrek, gemeenten geven er veel te veel aan uit!’ (VIDEO)” op PONT/Sociaalweb.
René Peters zegt hardop wat velen van ons al jaren denken. De jeugdzorg kampt niet primair met een geldprobleem, maar met een gripprobleem. Gemeenten geven miljarden uit, maar weten vaak niet precies waaraan, aan wie en met welk effect. Sinds 2015, toen gemeenten de volledige verantwoordelijkheid kregen voor jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering, was de belofte dat lokale regie de kosten zou beteugelen. Elf jaar later weten we beter: die uitgaven zijn verdubbeld.
En dat terwijl onderzoeken van UNICEF en anderen laten zien dat de Nederlandse jeugd nog altijd tot de gelukkigste ter wereld behoort. Hoe kan het dat we steeds meer hulp organiseren voor een generatie die in internationaal perspectief zo hoog scoort op welbevinden?
Oneindige zorg, oneindige vraag
René Peters beschrijft scherp het mechanisme dat ik zo vaak heb gezien in gemeenteland: oneindige zorg leidt tot oneindige vraag. Wanneer elke zorgvraag wordt gehonoreerd, verschuift de norm vanzelf. Wat ooit “een beetje lastig” was, heet nu “een indicatie”, en daarmee creëren we zelf de groei waar we vervolgens onder bezwijken.
De intentie is goed: helpen waar we kunnen. Maar hulp is niet altijd het juiste antwoord. Een kind dat even niet lekker in zijn vel zit, een ouder die worstelt met opvoedstress — niet alles hoeft een traject te worden. We verliezen het normale uit het oog als we elk signaal professionaliseren.
Wie eerlijk kijkt naar de cijfers, ziet dat niet het aantal ernstig getraumatiseerde of suïcidale kinderen explosief is gegroeid, maar vooral het beroep op lichtere vormen van jeugdhulp. Dat is niet alleen een financiële kwestie, maar ook een maatschappelijk signaal: we zijn steeds minder gewend om ongemak, groei en puberteit te verdragen zonder diagnose of dossier.[4]
Triage en moed
Wie bij de voordeur niet durft te selecteren, betaalt altijd bij de achterdeur. Peters heeft gelijk: aan de voorkant heb je stevige professionals nodig. Mensen die durven zeggen: dit hoort erbij, dit gaat over. Dat is niet hard of kil, dat is professioneel werken in een publieke context.
Kostenbewustzijn is geen bedreiging van kwaliteit; het is een onderdeel ervan. Hoe meer geld verdwijnt in lichte, vaak overbehandelde problematiek, hoe minder ruimte blijft er voor kinderen die écht in de knel zitten. Sturen op schaarste is niet het tegenovergestelde van zorgzaamheid, het ís zorgzaamheid met verstand.
Daarvoor is ook een andere inrichting van de toegang nodig. Niet de toegang als loket dat vooral verwijst, maar als plek waar integraal gekeken en gekozen wordt. In eerdere stukken heb ik dat vergeleken met een verkeersleider in plaats van een kaartjesknipper: iemand die het overzicht heeft, prioriteert en zo nodig “nee” of “nu nog niet” kan zeggen.
De moed om nee te zeggen
“Burgers zijn geen klanten,” zegt Peters. Die ene zin legt een pijnlijk misverstand bloot. We hebben de logica van de markt geïmporteerd in een domein dat juist vraagt om publieke kaders en grenzen. Jeugdzorg is geen winkel waar je altijd gelijk moet krijgen als je aan de balie staat.
Je kunt niet alles oplossen, en je hoeft dat ook niet te willen. “Nee” zeggen is geen teken van onmacht, maar van regie. Als wachtlijsten ontstaan, moeten we durven vragen: voor wie wachten we eigenlijk? Soms ís wachten ook een periode van herstel. Soms verdwijnt een probleem vanzelf als we het niet groter maken dan het is.
Dat vraagt politieke rugdekking. Een wijkteammedewerker die “nee” zegt, moet weten dat de wethouder en raad er nog steeds staan als de eerste boze mail in de mailbox valt. Zonder die rugdekking blijft het veiliger om alles door te laten glijden — met als gevolg dat de begroting ontploft en de echt kwetsbare kinderen alsnog achteraan in de rij komen.
Van poort naar plein
Op Verruim de Horizon schrijf ik vaker over de verkeerde afslag in het sociaal domein: gemeenten die, uit financiële nood, de botte bijl zetten in precies datgene wat zorgbaar maakt – nabijheid, ontmoeting, plekken waar mensen elkaar vanzelf tegenkomen. We verkleinen onszelf tot poortwachter, terwijl de opgave juist is om gemeenschapspartner te zijn.
Dat is de diepere paradox achter de jeugdzorgdiscussie. Zolang wij alle normale levensvragen en alledaagse opvoedstress via de “zorgpoort” willen oplossen, blijft die poort overbelast. De toegang tot het sociaal domein is dan een deur naar zorg geworden, terwijl ze in wezen het plein van de ontmoeting zou moeten zijn.
Een gemeente die echt wil sturen op jeugdzorg, investeert dus niet alleen in strakkere inkoop en stevigere triage, maar óók in het plein: in scholen die ruimte maken voor verschillen, in wijken waar kinderen kunnen spelen en pubers kunnen dwalen, in buurten waar ouders elkaar kennen. De goedkoopste en meest effectieve jeugdzorg begint vaak buiten de jeugdzorg.
Terug naar menselijke maat
Als René Peters zegt dat gemeenten veel te veel uitgeven aan jeugdzorg, gaat het mij niet om een rekensom, maar om een richting. Minder jeugdzorg is geen doel op zichzelf; minder onnodige jeugdzorg wel. De vraag is niet: hoe krijgen we de cijfers omlaag? De vraag is: hoe krijgen we onze kinderen, ouders en professionals weer ruimte om mens te zijn zónder dat alles meteen zorg heet.
Dat vraagt om drie bewegingen die ik al vaker beschreef:
- Van poort naar plein: minder loketlogica, meer leefwereld en ontmoeting.
- Van volumesturing naar betekenis: niet tellen hoeveel trajecten we inkopen, maar wat die trajecten daadwerkelijk veranderen in het leven van kinderen.
- Van reflex naar ruggegraat: professionals en bestuurders die niet alleen willen helpen, maar ook durven begrenzen, ordenen en kiezen.
Misschien is dat uiteindelijk de coup waar we al jaren op wachten in het sociaal domein: niet nog een herziening van regels, maar een herziening van moed. De moed om te erkennen dat jeugdzorg geen bodemloze put hoeft te zijn, zolang wij bereid zijn om grenzen te stellen, het normale weer normaal te noemen en het plein van de samenleving opnieuw in ere te herstellen.