We noemen het noodzorg, maar feitelijk is het vaak noodopvang. Jongeren “staan veilig”, maar ze staan stil. In een vakantiehuisje zonder school, zonder behandelplan, zonder horizon. De ANWB van de noodzorg komt langs met busjes, begeleiders en facturen – duur, tijdelijk, en vol goede bedoelingen, maar leeg van toekomst. Wie goed kijkt, ziet hoe beleid hier lijf wordt: stress in hoofd en lichaam van jongeren, ouders én professionals.

In haar oratie over het hart van de specialistische jeugdhulp (‘Transformatie in de specialistische jeugdhulp’; 26 maart 2026, Radboud Universiteit Nijmegen) beschrijft Karin Nijhof hoe chronische stress en trauma de onderstroom vormen van veel gedrag dat wij “problematisch” noemen. Niet alleen bij jongeren, maar net zo goed bij opvoeders en hulpverleners. Organisaties en regels kunnen stress verminderen, maar ook verhevigen. De manier waarop we zorg inkopen, verantwoorden en organiseren, drukt zich uit in hartslag, spierspanning, slapeloosheid – en in uitval. We praten over stelsels, maar het stelsel woont in mensen.

In Tussen beleid en leefwereld heb ik laten zien hoe beleid zich graag rond structuren en begrotingsjaren organiseert, terwijl het echte leven zich afspeelt aan de keukentafel, op het schoolplein en soms dus in dat schrijnend lege vakantiehuisje. Verruim de horizon is mijn dagelijkse oefening om die leefwereld weer in beeld te krijgen: verhalen, observaties, ontmoetingen. Nijhof voegt daar een krachtig kennisframe aan toe: jeugdhulp als herstelomgeving, waar rust, veiligheid, relatie en het lichaam zelf serieuze hoofdrolspelers zijn.

Pieters pamflet “De ANWB van de noodzorg” legt de vinger op de zere plek: we betalen goud voor nood, terwijl we weigeren koper te investeren in normaal. Wat wij “noodzorg” noemen, is vaak het georganiseerde onvermogen van een systeem dat uiteindelijk vooral zichzelf bedient. Dat pamflet, de oratie en mijn eigen werk vertellen samen één verhaal: dat het anders kán en móét. Minder crisisarrangement, meer kleinschalige, relationele plekken. Minder regelstress, meer professionele ruimte en reflectie. Minder praten over “doelgroepen”, meer luisteren naar jongeren en ouders.

De vraag is niet langer of we het ons kunnen permitteren om het systeem te veranderen. De vraag is hoeveel jongeren we nog willen “parkeren” voordat we erkennen dat echte transformatie begint bij een radicaal eenvoudige keuze: eerst de mens, dan het model.