
Monopolycentrisme in de jeugdhulp en wat het doet met onze horizon.
Tot voor kort kende ik de term monopolycentrisme niet. Maar wat ermee wordt bedoeld, voelde ik al jaren in mijn werk in het sociaal domein: dat knagende gevoel dat er steeds maar één plek, één systeem, één overlegtafel is waar het echt gebeurt – en dat alles en iedereen zich daarnaar moet voegen.
Monopolycentrisme is voor mij die reflex om alles rond één centrum te organiseren: één loket, één regio-indeling, één leidende aanbieder, één besturingsmodel, één taal om over problemen te praten.
Het begint vaak met een begrijpelijke wens om te ordenen en te vereenvoudigen, maar eindigt al snel in een werkelijkheid waarin de leefwereld van inwoners zich moet aanpassen aan het stelsel, in plaats van andersom.
In de jeugdhulp zie je dat bijvoorbeeld wanneer regionale inkooptafels en contracteringslogica gaan bepalen welke hulp bestaat en welke niet.
Professionals en ouders vertellen dan dat zij een vorm van ondersteuning zien die werkt, maar die niet past in het bestaande productboek, de schotten tussen wetten of de regiogrens – en dus blijft het bij losse pilots, tijdelijkheid of een uitzondering met veel gedoe.
Een jeugdhulpteam kan dan formeel ‘integraal’ heten, terwijl iedereen in de praktijk vooral bezig is met de vraag: onder welk potje valt dit, welke toegang is leidend, wie is hier systeemtechnisch verantwoordelijk?
De kern verschuift ongemerkt: niet meer het kind en gezin in hun eigen netwerk, maar het loket, de regeling, de regio of het overleg wordt het middelpunt van het universum.
Monopolycentrisme vernauwt zo stap voor stap onze horizon. We raken de veelheid aan verhalen kwijt – van ouders, jongeren, buurtgenoten, leraren, vrijwilligers – omdat we leren kijken door één dominante bril: die van het officiële stelsel, de kaart, de spreadsheet, de governance-lijn.
Wat helpt om daaruit te komen, is misschien verrassend klein. Niet beginnen met de vraag: “Waar hoort dit thuis in het systeem?”, maar met: “Voor wie doen we dit, wie missen we nu aan tafel en welk verhaal hoor ik nog niet?” – en pas daarna kijken welk stelsel daar zo nodig bij kan helpen, in plaats van andersom.
Zo wordt monopolycentrisme voor mij een waarschuwingslampje: telkens als ik merk dat één centrum, één kader, één overleg alle aandacht naar zich toe trekt, stel ik mezelf de vraag: wie of wat valt hier nu buiten beeld – en welke horizon laten we daarmee onnodig onbenut?
Een paar jaar geleden zat ik aan tafel bij een overleg over een jongen van vijftien. Hij liep vast op school, thuis escaleerde het steeds sneller, en in de buurt waren er al signalen geweest van overlast en zorgen. Aan tafel zaten ouders, school, een medewerker van het wijkteam, een gedragswetenschapper en iemand van een regionale jeugdhulpaanbieder. Op papier precies zo’n integraal overleg waar we het al jaren over hebben.
Wat iedereen eigenlijk wilde, was betrekkelijk eenvoudig: rust in huis, duidelijkheid op school, iemand die de jongen zélf serieus zou nemen en met hem mee zou denken over wat voor hem hielp. In het gesprek kwamen mooie, heel concrete ideeën langs. Een vertrouwd gezicht dat thuis en op school kon schakelen. Een plek waar hij een deel van de week praktisch bezig kon zijn. Iemand uit de buurt die hij al kende en die een rol kon spelen.
En toen schoof – bijna ongemerkt – het centrum van het gesprek. Niet langer de vraag: “Wat heeft dit gezin nú nodig?” maar: “Onder welke voorziening valt dit, wie mag dit indiceren, en in welke regio hoort dit eigenlijk thuis?” De regiogrens liep nét anders dan de schoolregio. De aanbieder had voor dit soort maatwerk geen passend product in de catalogus. De medewerker van het wijkteam wist dat zijn gemeente een andere inkoopafspraak had gemaakt dan de buurgemeente. Je voelde de energie verschuiven van het leven naar het stelsel.
Dit is voor mij monopolycentrisme in de praktijk. Er is één regio-indeling die leidend is. Eén contract waar alles in moet passen. Eén toegangsloket dat bepaalt welke vraag “echt” is. Alles wat niet in dat centrum past, wordt ingewikkeld, tijdelijk of uitzonderlijk. Terwijl aan tafel iedereen eigenlijk hetzelfde zag: dit gezin vraagt om een combinatie van nabijheid, continuïteit en praktische ondersteuning – geen discussie over schotten en productcodes.
In dit overleg gebeurde gelukkig ook iets anders. Een van de aanwezigen stelde op een gegeven moment hardop de vraag: “Als we nu even doen alsof het systeem niet bestaat: wat zouden we dan morgen regelen?” Het werd stil, en daarna kwamen de oplossingen in gewone taal weer terug op tafel. Pas in de tweede ronde keken we: wat kunnen we hierbinnen wél, wat moeten we creatief organiseren, en waar wringt het systeem zo dat we het hogerop moeten aankaarten? Het gesprek kantelde: van ‘waar past dit in?’ terug naar ‘voor wie doen we dit?’.
Sindsdien gebruik ik deze casus vaak als innerlijke herinnering. Telkens als ik merk dat de regio, de inkoop, het productboek of het loket vanzelfsprekend het middelpunt is geworden, vraag ik mezelf: stel dat dit gezin, deze jongere, dit netwerk het echte centrum is – wat verandert er dan aan ons gesprek, aan onze keuzes, aan ons idee van wat “normaal” is? Daar, ergens in dat verschuiven van perspectief, begint voor mij het afleren van monopolycentrisme.