I Swear, John Davidson en onze blinde vlekken

Er zijn van die films die je niet alleen als kijker, maar ook als beleidsmaker raken. I Swear, de biografische film over de Schotse Tourette-voorvechter John Davidson, is er zo één. Het is een eerlijk, grappig en diep menselijk drama over opgroeien met Tourette in een wereld die daar niet op is ingericht – en daarmee een onbedoelde maar scherpe spiegel voor ons onderwijs-, zorg- en inclusiebeleid.

Niet de aandoening faalt, maar het systeem

In I Swear zien we hoe Johns leven in de jaren tachtig kantelt. Een slimme, grappige jongen met keeperambities, bij de besten van zijn klas, wordt langzaam buitengesloten wanneer de eerste oncontroleerbare tics en vloeken zich aandienen. Niet omdat hij “verkeerd” is, maar omdat zijn omgeving er niets mee kan.

Wat mij treft, is dat de echte tragedie niet in Tourette zelf zit, maar in de reactie van de instituties om hem heen:  

  • een school die hem vooral als last en risico ziet;  
  • een medische wereld die de aandoening nauwelijks kent;  
  • een samenleving die afwijkend gedrag meteen koppelt aan karakter, opvoeding of “probleemgezin”.

Als je door een beleidsbril kijkt, is I Swear geen individueel drama, maar een systeemverhaal. De vraag is dan niet: “Wat is er mis met John?”, maar: “Wat is er mis met de manier waarop wij school, zorg en samenleving hebben ingericht, dat iemand als John er zó slecht in past?”

Neurodiversiteit als lens, geen voetnoot

De neurodiversiteitsbeweging stelt een ogenschijnlijk eenvoudige gedachte centraal: neurologische verschillen – Tourette, autisme, ADHD, dyslexie, noem maar op – zijn variaties, geen defecten. De norm van de gemiddelde, prikkelbestendige, stilzittende, sociaal soepel meedraaiende burger is geen natuurwet, maar een bouwkeuze.

In beleid merk je hoe hardnekkig dat defect-denken nog is. We repareren, corrigeren en normaliseren. We ontwikkelen protocollen om “ermee om te gaan”, maar zelden passen we de structuur zélf aan. We bouwen onderwijs en jeugdhulp rond het idee van de gemiddelde leerling, en regelen vervolgens uitzonderingen voor wie daar buiten valt.

I Swear confronteert ons met de vraag: wat als we dat omdraaien? Wat als we niet kijken hoe John zich kan aanpassen aan het systeem, maar hoe het systeem zich kan aanpassen aan John? Dat betekent in beleidstermen onder andere:  

  • flexibele onderwijstrajecten die variatie in aandacht, gedrag en energie toelaten;  
  • toegankelijkere routes naar diagnostiek en ondersteuning, niet afhankelijk van toevallig geïnformeerde professionals;  
  • voorzieningen die uitgaan van wat iemand wél kan en bijdraagt, in plaats van primair op risico, overlast of kosten te sturen.

Het interessante is dat dit geen abstracte discussie is. In Nederland praten we volop over inclusief onderwijs, passend onderwijs, brede brugklassen, laagdrempelige jeugdhulp en een meer inclusieve arbeidsmarkt. Maar de ervaring van mensen met Tourette en andere neurodivergente profielen laat zien dat de praktijk nog vaak uitgaat van “u mag meedoen, mits u zoveel mogelijk lijkt op de norm”.

Ervaringsdeskundigheid als ruggengraat, niet als decor

John Davidson is in het echte leven uitgegroeid tot een bekende activist en spreker. Van onderwerp van een documentaire (“John’s Not Mad”) werd hij uiteindelijk een eigenstandig geluid: een man die scholen, politie en media helpt begrijpen wat het betekent om met Tourette te leven, en die kampen en lotgenotenbijeenkomsten opzet. Hij ontving zelfs een koninklijke onderscheiding voor zijn inzet.

Die beweging – van bekeken worden naar zelf spreken – is precies wat we in beleid vaak nog onderschatten. We nodigen ervaringsdeskundigen uit voor een panel, een “persoonlijk verhaal” ter opening van een conferentie, en gaan daarna weer over tot de orde van de dag. De film laat zien hoezeer Johns perspectief alles kleurt: de manier waarop hij zelf zin geeft aan zijn leven, maar ook de manier waarop anderen naar Tourette kijken.

Als we die lijn doortrekken, vraagt dat iets van hoe we beleid maken:  

  • ervaringsdeskundigen niet incidenteel “betrekken”, maar structureel positioneren in ontwerpteams, stuurgroepen, toetsingscommissies;  
  • niet alleen vragen “wat vind je van ons plan?”, maar samen definiëren wat het probleem is, welke waarden centraal staan en hoe succes eruitziet;  
  • vergoeden en erkennen van die rol als volwaardige expertise, niet als vrijwillige “inbreng uit de praktijk”.

John is in die zin geen “cliënt”, maar een civic professional: iemand die persoonlijke ervaring en publieke verantwoordelijkheid verbindt. I Swear laat zien wat er kan gebeuren wanneer iemand die rol kan pakken – én wat er misgaat als de context dat niet toelaat.

De kracht en risico’s van representatie

Dat er nu een grote speelfilm is over Tourette, met een sterke cast en internationale aandacht, is op zichzelf al betekenisvol. Representatie doet iets. Een aandoening die jarenlang vooral als curiositeit of grap in media opdook, wordt nu het centrum van een serieus, menselijk verhaal. Dat helpt om publieke beelden te kantelen, empathie te kweken en stigma af te breken.

Tegelijkertijd laat de realiteit rond John Davidson zien hoe precair dit blijft. Een live-uitzending waarin een racistische term als tic voorbij komt, een awardshow die worstelt met framing en duiding: het is genoeg om een nieuwe golf van onbegrip, verontwaardiging en sensatiezucht op te roepen. Begrip is blijkbaar nog dun ijs.

Voor beleid is dat relevant om twee redenen:  

  • publieke beeldvorming beïnvloedt direct het draagvlak voor voorzieningen, aanpassingen en maatregelen;  
  • beleid zelf draagt óók bij aan beeldvorming, via taal (“stoornis”, “last”, “kwetsbaar”), criteria en de manier waarop we mensen indelen.

Het ligt dan voor de hand om films als I Swear niet alleen als cultuurproduct te zien, maar ook als leerstof. Je kunt je afvragen: waarom zouden toekomstige docenten, sociaal werkers, artsen, beleidsadviseurs en bestuurders deze film níet in hun opleiding moeten zien?

Naar een neurodivergent-vriendelijk beleid

Binnen de neurodiversiteitsbeweging duikt steeds vaker de ambitie op van een “neurodivergent-vriendelijk land”: een samenleving waarin systemen standaard rekening houden met cognitieve en neurologische variatie. Niet via uitzonderingsregelingen, maar via ontwerpprincipes.

Als je I Swear kijkt met Nederlandse beleidsdossiers in het achterhoofd, zie je meteen een aantal concrete lijnen:  

  • In het onderwijs: hoe organiseren we roosters, groepswerk, toetsing en klassenmanagement zó, dat iemand met tics, prikkelgevoeligheid of concentratieproblemen niet per definitie op achterstand staat? 
  • In de jeugdhulp en GGZ: hoe zorgen we voor duidelijke, niet-frustrerende routes naar diagnostiek en ondersteuning, zonder bureaucratische hindernisbanen?  
  • In werk en inkomen: hoe maken we ruimte voor fluctuerende belastbaarheid, zichtbare en onzichtbare tics of “anders-zijn”, zonder dat dit meteen leidt tot uitsluiting of marginale plekken? 
  • In gemeentelijk beleid: hoe toetsen we verordeningen, inkoop en uitvoeringspraktijk systematisch op inclusie voor neurodivergente inwoners?

Een film alleen verandert dat natuurlijk niet. Maar verhalen doen wel iets wat beleidsnota’s zelden lukt: ze laten voelen wat er op het spel staat. Je voelt in I Swear het verlies van kansen, de schaamte, de vermoeidheid van voortdurend moeten uitleggen – maar ook de kracht van humor, steun en erkenning. Precies daar ontstaat de ruimte om anders naar ons beleid te kijken.

Film als beleidsinstrument

Misschien is dat de belangrijkste uitnodiging van I Swear aan ons als beleidsmakers, bestuurders en professionals: durf film en verhalen expliciet in te zetten als onderdeel van je beleidspraktijk. Niet als “leuke bijkomstigheid”, maar als instrument om bewustzijn te vergroten, perspectieven te verbreden en vanzelfsprekendheden te bevragen.

Je zou kunnen denken aan:  

  • filmavonden met nagesprek in gemeenteraad, directieteam of beleidsafdeling; 
  • gebruik van scènes uit I Swear in trainingen voor leerplicht, leer-werkbedrijven, wijkteams en indicatiestellers;  
  • gesprekken met ervaringsdeskundigen waarin de film een gezamenlijke referentie vormt: “Waar herken jij je in, waar doet de film tekort?”

Het mooie is dat I Swear zich daar uitstekend voor leent: het is toegankelijk, emotioneel, soms geestig, maar snijdt ondertussen de kernvragen aan waar we in beleid mee worstelen. Wie mag er afwijken van de norm? Wie bepaalt wat “normaal” is? En wat zegt dat over de manier waarop we onze instituties hebben ingericht?

Als je straks uit de bioscoop komt, kun je jezelf dus twee vragen stellen. Niet alleen: “Wat een indrukwekkend verhaal over John.” Maar ook: “Wat zegt dit verhaal over ons beleid – en wat ga ik daar morgen mee doen?”