Linkse gemeenten geven te veel uit aan jeugdzorg en Wmo. Althans, dat is de boodschap die de koppen schreeuwen.  Het klinkt lekker simpel, net rond de stembusgang: rood is duur, rechts is zuinig. Maar wie even onder de motorkap kijkt, ziet een heel ander verhaal.

Onderzoeksbureau A‑insights dook in de uitgaven van gemeenten aan jeugdzorg en Wmo tussen 2022 en 2024.  Skipr en de Nationale Zorggids pakten er gretig mee uit: linkse gemeenten geven per inwoner het meest uit aan jeugdzorg en zelfs het dubbele aan Wmo in vergelijking met rechtse gemeenten.  De 82 linkse gemeenten zijn samen goed voor de helft van alle jeugdzorguitgaven (8,3 miljard) en meer dan de helft van de Wmo‑uitgaven (8,7 miljard).

Dat lijkt een helder bewijs: politieke kleur bepaalt de dikte van de portemonnee.  Maar ergens halverwege de tekst staat een zinnetje dat alles kantelt: de onderzoekers schrijven de hogere uitgaven met name toe aan het feit dat linkse gemeenten vooral grote steden en randgemeenten zijn.

Met andere woorden: niet alleen de kleur van het college, maar vooral de kleur van de kaart doet ertoe.

Grote steden zijn geen gemiddelde gemeenten. Ze concentreren armoede, schulden, psychische problematiek, complexe scheidingen, eenoudergezinnen, dakloosheid en gezondheidsachterstanden.  Daar wonen meer mensen die niet vanzelf meekomen, meer kinderen die opgroeien in onrust, meer ouderen die afhankelijk zijn van ondersteuning.

Dat is geen waardeoordeel, maar demografie en geografie.  

Als linkse partijen relatief vaak aan de knoppen zitten in die grote steden en randgemeenten, is het bijna onvermijdelijk dat:

  • De zorgvraag per inwoner hoger is.
  • De uitgaven per inwoner navenant hoger uitvallen.

Het A‑insights‑onderzoek telt die uitgaven netjes op, maar corrigeert – in ieder geval in de publieke samenvatting – niet zichtbaar voor die bevolkingssamenstelling.  Daardoor schuift een deel van de stadsproblematiek geruisloos in de schoenen van “links beleid”.

Een interessant deel van het onderzoek gaat niet over bedragen, maar over hoe gemeenten hun zorg organiseren.

Volgens de onderzoekers zie je grofweg twee bewegingen:  

  • Linkse gemeenten werken meer met wijkteams en zorg in natura.
  • Rechtse gemeenten leunen relatief sterker op persoonsgebonden budgetten en keuzevrijheid.

Wijkteams betekenen: professionals dichtbij, laagdrempelig contact, snel schakelen, ook voor kleine zorgen die nog geen diagnose hebben.  Dat kost geld aan de voorkant: teams in de wijk, tijd voor gesprekken, ondersteuning die niet pas begint als het misgaat.

Een pgb‑logica zegt: jij kiest zelf je zorgverlener, wij vergoeden.  Minder gemeentelijke organisatie, meer individuele regie. Maar ook: een drempel om überhaupt een indicatie te vragen, een systeem dat pas aangaat als de problematiek al behoorlijk groot is.

A‑insights ziet dat het aantal jongeren in de jeugdzorg in linkse gemeenten stabiliseert, terwijl in rechtse gemeenten juist een duidelijke groei te zien is.  De onderzoekers vermoeden dat problemen in sommige gemeenten eerder en laagdrempeliger worden opgepakt, terwijl ze in andere gemeenten later zichtbaar worden en sneller escaleren.

Dat is nog geen hard bewijs, maar het zet de simpele vraag “wie geeft het meest uit?” in een ander licht: Misschien investeren sommige gemeenten in voorkant‑zorg en betalen andere vooral voor de gevolgen aan de achterkant.

Een ander opvallend gegeven: gedwongen uithuisplaatsingen nemen overal af, maar de meeste jeugdzorgtrajecten met verblijf vinden plaats in gemeenten waar religieuze partijen domineren – de bekende Biblebelt.  Dat roept vragen op die in de uitgavendiscussie nauwelijks terugkomen:

  • Hoe verhouden lokale normen over opvoeding, gezin en gezag zich tot de inzet van zware jeugdzorg?
  • Waar trekken we de grens tussen “we lossen het thuis op” en “we grijpen in”?

Het beeld van linkse gemeenten die met geld strooien verbleekt als je ziet hoe sterk regionale, culturele en demografische patronen het zorggebruik kleuren.

Wat mist in dit type onderzoek, is een vraag die in het sociaal domein cruciaal zou moeten zijn:  

Wat levert het op?  

We weten nu:

  • Linkse gemeenten geven per jongere ruim 1.500 euro meer uit aan jeugdzorg dan rechtse gemeenten.
  • De Wmo‑uitgaven per inwoner zijn er ongeveer twee keer zo hoog.
  • In diezelfde periode stagneert het jeugdzorggebruik in linkse gemeenten en groeit het in rechtse.

Maar we weten niet:

  • Of jongeren in de ene gemeente beter in hun vel zitten dan in de andere.  
  • Of de uitstroom uit zwaardere zorg sneller gaat.  
  • Of gezinnen zich beter gehoord, gesteund en veilig voelen.  
  • Of de dure gemeente op lange termijn juist goedkoper uit is door minder uitval, schooluitval, uitkeringen en zorg op latere leeftijd.  

Zonder die uitkomstvragen blijft de discussie hangen op de vraag wie de hoogste rekening heeft. Terwijl iedereen in het veld allang weet: goedkoop kan hier heel duurkoop worden.

Als je de kaart van Nederland erbij pakt, zie je een patroon dat we zelden hardop benoemen in de financiële discussie:  

  • De grote steden met forse sociaal‑economische problematiek hebben vaker een links bestuur.
  • De kleinere, relatief welvarende gemeenten met minder zichtbare problematiek zijn vaker rechts of lokaal/religieus georiënteerd.

Dat is geen complot, maar democratie: stemmen volgen de leefwereld van kiezers.

Wie dan puur kijkt naar uitgaven per inwoner en zegt: “zie je wel, linkse gemeenten zijn duur”, verwart de thermometer met de koorts.  De koorts zit in de stapeling van kwetsbaarheid in bepaalde wijken, niet in de politieke kleur van het college.

De eerlijkere vraag is:  

  • Hoe verhouden uitgaven zich tot de zwaarte van de opgave in de bevolking?
  • Doen we met gelijke problemen ongeveer hetzelfde?  
  • Of kiezen we structureel andere routes, met andere gevolgen op langere termijn?  

Onderzoek als dat van A‑insights is waardevol, omdat het verschillen zichtbaar maakt die we gevoelsmatig al kennen.  Maar precies daarom moeten we er behoedzaam mee omgaan. Getallen zonder context worden makkelijk instrumenten in het politieke gevecht, in plaats van spiegels voor beter bestuur.

Misschien is dit een beter gesprek:  

  • Niet: links is duur, rechts is goedkoop.
  • Wel: wat vinden we een goed niveau van ondersteuning, gegeven de mensen die hier wonen, werken, ouder worden, opgroeien
  • Niet: wie geeft het minst uit?
  • Wel: wie slaagt erin problemen eerder te zien, lichter op te lossen en menselijker te begeleiden?

En dan hoort er nog een ongemakkelijke vraag bij, voor ons allemaal in het sociaal domein: Durven we de volgende keer niet alleen de uitgaven per inwoner te publiceren, maar ook de oogst? Minder uitval, minder uithuisplaatsingen, meer gewone levens met hobbels die niet meteen een casus hoeven te worden.  

Pas dan zien we of die 1.500 euro extra per jongere een kostenpost is – of een investering in horizon.