
Een recent EenVandaag-onderzoek laat zien dat gemeenten opnieuw vooral willen besparen op het sociaal domein, de eigen organisatie en de openbare ruimte. Achter deze koers schuilt een begrijpelijke reflex: de financiële druk is groot, en de roep om doelmatigheid klinkt luid. Maar deze reflex schiet precies het doel voorbij. Want wat op korte termijn een bezuiniging lijkt, is op langere termijn een kostenvermeerdering – én een maatschappelijke verschraling.
Wie het gedachtegoed van Klasien Horstman en mijn blog “Zorg om de hoek” (zie onder deze blog) ernaast legt, ziet waarom. Een zorgzame samenleving begint niet bij regels, regelingen of indicaties, maar bij publieke ruimte, ontmoeting en betrokkenheid. Het is juist dat netwerk van dagelijkse, informele verbindingen – in buurthuizen, speeltuinen, wasserettes of buurtrestaurants – dat voorkomt dat mensen vereenzamen of vastlopen in zorgafhankelijkheid. Dáár ligt de basis van preventie.
De route die gemeenten nu inslaan, ondermijnt precies die infrastructuur van nabijheid. Snijden in het sociaal domein, publieke ruimte en gemeenschapsvoorzieningen betekent snijden in het weefsel dat zorg en welzijn juist draaglijk maakt. Je kunt de loketten strenger maken en de toegang scherper toetsen, maar als de buurvrouw, het wijkteam en het buurthuis verdwijnen, wórd je vanzelf cliënt. En dat is precies wat de zorgkosten op termijn opdrijft.
Horstman liet het treffend zien: een samenleving zonder plekken van toevallige ontmoeting raakt verstopt. Bezuinigen op onderhoud van publieke plekken, wijkinitiatieven of lokale voorzieningen is dus geen financiële ingreep, maar een maatschappelijke amputatie. Gemeenten verkleinen zo hun rol van gemeenschapspartner tot die van poortwachter – terwijl de toekomst van het sociaal domein vraagt om het tegenovergestelde: ruimte maken voor het plein, niet de poort.
De beweging die we werkelijk nodig hebben, is die van herstel van publieke ruimte, vertrouwen en menselijke nabijheid. Niet nóg een ronde systeemmaatregelen of bezuinigingsrondes, maar investeren in de plekken, mensen en relaties die zorg voorkomen. Anders gezegd: wie denkt kosten te besparen door te snijden in het sociaal domein, legt de kiem voor de volgende kostenexplosie.
Zorg om de hoek is geen vanzelfsprekendheid
Een reflectie op de lezing van Klasien Horstman bij de Dag van de Wijkteams
Op 5 maart jl. mocht ik namens het Platform Sociaal Domein deelnemen aan de Dag van de Wijkteams, georganiseerd door de Associatie Wijkteams in de sfeervolle Prodentfabriek in Amersfoort. Een dag vol ontmoetingen, bezinning en inspiratie – over hoe we samen zorg en welzijn kunnen organiseren, dichtbij mensen, om de hoek.
In haar lezing “Hoe zorgen we samen voor een zorgzame en gezonde samenleving?” liet Klasien Horstman op indringende wijze zien hoezeer de inrichting van onze publieke ruimte ertoe doet. Niet alleen letterlijk – in stenen, wegen en gebouwen – maar ook in sociaal opzicht. Waar ontmoeten mensen elkaar nog, als de wasserette is verdwenen, het buurtrestaurant gesloten en de friture “’t Trefpunt” allang verleden tijd is?
De voorbeelden troffen me. Want inderdaad: de vanzelfsprekende ontmoetingsplekken van vroeger zijn stilaan opgelost in een samenleving waarin individualisering de boventoon voert. Onze zorgwetgeving – van de Jeugdwet tot de Wmo – versterkt vaak dat individuele perspectief: ieder met zijn eigen indicatie, recht of plan van aanpak. Maar daarmee verdwijnt het cement tussen de stenen.
Socioloog Robert Putnam schreef er al over in “Bowling Alone”: een samenleving kan alleen gezond blijven als mensen elkaar blijven tegenkomen, ook buiten hun eigen bubbel. Dat is precies waar Horstman voor pleit — ontbubbelen. Letterlijk en figuurlijk meer blootgesteld worden aan anderen. Niet alleen aan gelijkgestemden, maar juist aan verschil en frictie. Een beetje “gedoe” hoort bij een levende gemeenschap.
De publieke ruimte als sociale riolering
Een beeld dat me bijbleef uit haar verhaal is dat van de publieke ruimte als een soort “bovengrondse sociale riolering: een systeem voor sociale doorstroming, onverwachte ontmoetingen en gedeelde ervaringen. Wanneer die verstopt raakt, ontstaat eenzaamheid. Niet omdat mensen niet wíllen verbinden, maar omdat de gelegenheid ontbreekt.
In mijn boek “Tussen beleid en leefwereld” schreef ik al dat de toegang tot het sociaal domein te vaak een deur naar zorg is geworden – terwijl ze in wezen het plein van de ontmoeting zou moeten zijn. We hebben de hoofdingang verward met de nooduitgang. Het echte begin van zorg en betrokkenheid ligt immers niet bij een loket, maar bij contact. Bij het gesprek om de hoek.
In mijn blog “De omgekeerde wereld van het sociaal domein” noemde ik dit de paradox van nabijheid: hoe meer we het systeem organiseren, hoe verder we soms afdrijven van de leefwereld waar het over gaat. De lezing van Horstman voelde als een bevestiging én een oproep om de beweging om te keren.
Terug naar het plein
Ik moest terugdenken aan een scène uit mijn jongere jaren, op een camping in Frankrijk. Daar stond elke middag een vaste groep mensen jeu de boules te spelen. Ik keek ernaar van een afstandje. Te verlegen om erop af te stappen, en mee te doen. Tot op een dag iemand me uitnodigde om mee te doen. Dat kleine, toevallige gebaar groeide uit tot een vriendschap die jaren heeft geduurd. Zorgzaamheid begint daar – in die eerste uitnodiging, op dat plein.
Als we in het sociaal domein werk maken van een zorgzame samenleving, moeten we opnieuw leren ruimte maken voor zulke toevalligheden. Voor nabijheid zonder agenda. En voor de imperfecte menselijkheid die daarbij hoort.
De menselijke maat groeit niet uit beleid, maar uit ontmoeting. Niet uit protocollen, maar uit plekken waar mensen elkaar weer durven zien, aanspreken en meedoen. Dáár ligt de toekomst van een zorgzaam Nederland: precies om de hoek.