
We zeggen ‘van onderop’, maar denken nog steeds ‘van bovenaf’
Van zorg naar leven
We praten er vaak over. Over ‘de sociale basis’, over ‘van onderop werken’ over ‘nabijheid’ en ‘vertrouwen’. We spreken de taal van de beweging. Maar als je goed luistert naar hoe we praten, hoor je iets geks.
We zeggen: wonen, zorg en welzijn. We zeggen: zorg- en welzijnsinstellingen. Alsof de volgorde vanzelf spreekt. Alsof zorg de norm is en welzijn een aardige toevoeging. Alsof we pas over goed leven mogen nadenken nadat we de zorg georganiseerd hebben.
Dat verrast. Want de beweging waar we het over hebben – die van de sociale basis – begint juist andersom. Die vraagt: wat is voor mensen van waarde in hun dagelijks leven? Wat hebben bewoners, gezinnen, buurtgenoten nodig om zelf richting te kunnen geven, samen met anderen, in hun eigen omgeving? Pas daarna komt de vraag welke ondersteuning daarbij hoort. En soms, heel soms, komt zorg dan om de hoek. Maar vaak zijn nabijheid, een huis, betekenisvolle relaties en meedoen genoeg.
Toch sluipt het systeemdenken telkens binnen. In onze structuren, beleidstermen, vergaderingen. Het systeem begint bij de zorg. Het redeneert vanuit schotten, indicatoren en financieringsstromen. De leefwereld verdwijnt onder lagen van professionalisering en verantwoording. En ongemerkt gaan we mee in die volgorde. Wij spreken taal die het systeem herkent, niet per se de taal van de bewoner.
De omgekeerde vraag
Hoe groter de afstand tot de leefwereld, hoe belangrijker het wordt om de blik terug te richten. Iedere schakel verder van het dagelijks leven – beleid, organisatie, specialistische zorg – zou zich de vraag moeten stellen: wat heeft de voorafgaande schakel nodig om het zelf te kunnen doen?
Als ouders worstelen met opvoedproblemen en we overwegen een uithuisplaatsing, zou de eerste vraag moeten zijn: wat heeft dit gezin nodig om die situatie te voorkomen? Als een wijkteam iemand doorverwijst naar zorg, zou een zorginstelling moeten vragen: hoe kunnen wij het team of het netwerk versterken, zodat beroep op zorg in de toekomst minder nodig zal zijn?
Dat vraagt om een ander reflex: niet opschalen, maar terugkijken. Niet alleen hulp aan de burger, maar ook steun aan degenen die het dichtst bij die burger staan.
Taal als kompas
De beweging terug naar de leefwereld begint dus niet met een nieuw beleidsplan, maar met bewust taalgebruik – en met de volgorde waarin we denken. De volgorde bepaalt de richting. En zolang onze taal het systeem laat spreken, blijven we van bovenaf redeneren.
Laten we daarom beginnen met woorden die de juiste richting wijzen: van zorgen voor naar samen leven met. Van doorschakelen naar versterken. Van zorgstructuren naar leefgemeenschappen.
De vraag is niet welke zorg nodig is. De vraag is: wat is er nú nodig om die zorg straks minder vaak nodig te hebben?
Als we durven om die volgorde om te keren, verruimen we niet alleen onze horizon – we veranderen het hele landschap.