Domeinoverstijgend werken is een prachtig streven – maar misschien zit precies dáár de valkuil. Niet omdat samenwerking tussen domeinen onbelangrijk is, maar omdat we daardoor te snel ‘boven’ het echte leven gaan hangen. Alsof je het probleem beter ziet door er afstand van te nemen, terwijl je daarmee juist de grond onder je voeten kwijtraakt.

In beleid en bestuur klinkt ‘domeinoverstijgend’ krachtig en vernieuwend. Het suggereert overzicht, systeemkracht, samenhang. Maar overstijgen heeft ook een schaduwkant. Hoe hoger je stijgt in modellen, programma’s en governanceplaatjes, hoe groter de kans dat de leefwereld vervaagt.  

Wijken, gezinnen, jongeren en professionals verdwijnen dan achter woorden als integraliteit, ketens en domeinen, terwijl hun dagelijkse werkelijkheid juist concreet, rommelig en urgent is.  

De oproep om niet te overstijgen, maar in te dalen, draait de beweging om: begin niet in het systeem, maar in het vraagstuk. Niet eerst denken in zorg, werk, veiligheid, onderwijs of wonen, maar bij de concrete situatie waar alles samenkomt.

Dat betekent: de straat, de school, het gezin, het portiek, de werkgever, de huisarts, het loket. Daar waar een probleem niet jeugdzorg of armoede heet, maar: een kind dat niet meer naar school durft, een moeder die de huur niet meer kan betalen, een jongen die op de hoek van de straat wapens verhandelt.  

In de praktijk zie je dat domeinen vanzelf met elkaar verweven raken zodra je afdaalt in een concreet vraagstuk. Een vochtige woning is geen woningprobleem maar raakt gezondheid, ontwikkeling van kinderen, schulden en stress. Een wachtlijst bij een wijkteam is geen zorgvraagstuk, maar gaat ook over personeelsbeleid, aansturing, woningmarkt en bestaanszekerheid.  

Door vanuit die praktijksituaties te werken, ontstaat een ander soort samenwerking: niet omdat domeinen zijn afgeschaft, maar omdat ze meebewegen rondom een gedeeld verhaal. Daar wordt duidelijk wie nodig is, welke grenzen in de weg staan en welke ruimte wél benut kan worden.

Misschien is dat de kern: domeinoverstijgend werken zou een bijproduct moeten zijn van goed werken in de praktijk, niet een doel op zichzelf. Als je heel scherp kijkt naar één straat, één school, één gezin, dan volgt domeinoverstijging bijna vanzelf.  Je komt er dan achter dat:

  • abstracte cijfers weinig handelingsperspectief geven,
  • concrete casuïstiek mensen in beweging brengt,
  • waardenconflicten in de praktijk vaak minder scherp zijn dan in het debat.  

Mensen verschillen ideologisch over systeemkeuzes, maar zijn het verrassend vaak eens over wat ze hun eigen kinderen gunnen: veiligheid, perspectief, gezonde woningen, kansen op werk, een school waar ze gezien worden.

Domeinoverstijgend werken wordt dan niet: nog een overlegtafel, nog een werkgroep, nog een integraal programma. Het wordt:

  • vaker letterlijk aanwezig zijn daar waar het speelt,
  • vraagstukken zo klein en concreet maken dat handelen mogelijk wordt, 
  • professionals ruimte geven om over domeingrenzen heen te handelen, 
  • bewoners en frontlijnmedewerkers serieus nemen als kennisbron.  

Niet hoger de lucht in om meer overzicht te krijgen, maar dieper de praktijk in om meer aanknopingspunten te vinden. Minder praten over samenwerking tussen domeinen, meer samen werken aan een heel concreet probleem, met wie daar nú iets in kan betekenen.

In die zin is domeinoverstijgend werken geen vlucht uit de bestaande ordening, maar eerder een rustige, vasthoudende terugkeer naar waar het allemaal om begonnen is: het gewone leven van mensen, en de vraag wat wij – met al onze systemen – daaraan toevoegen in plaats van onttrekken.