In mei 1975 begon ik als ongediplomeerd groepsopvoeder in een kleinschalige residentiële voorziening voor jongeren met forse problematiek. Ik woonde zeven dagen per week, vierentwintig uur per dag, samen met zes jongeren in een normaal woonhuis, midden in de wijk. Jongeren die we vandaag de dag onder JeugdzorgPlus zouden rangschikken. We deden boodschappen in dezelfde supermarkt als de buren, sportten bij dezelfde clubs en namen deel aan het gewone leven. Onze focus lag niet primair op wat er mis was of waarom dingen misgingen, maar juist op waar hun kracht lag, wat hen energie gaf – en ik heb gezien wat dát met jongeren doet: het laat ze groeien.

Die ervaring staat symbool voor een tijdgeest én voor de visie waarmee ik de afgelopen halve eeuw mijn werk binnen de jeugdzorg en het sociaal domein heb vormgegeven. Ik heb in talloze rollen mogen werken: als groepsopvoeder, directeur, pleegvader, wethouder, beleidsadviseur, coördinator, en bestuurder. Steeds opnieuw leerde ik kijken door het perspectief van een ander: van het kind, de professional, de ouder – maar ook van de gemeente, ambtenaar of zelfs minister.

In dit essay reflecteer ik – in de ik-vorm – op vijftig jaar jeugdzorg. Welke ontwikkeling heb ik gezien? Is mijn ervaring dat de zorg de mens is kwijtgeraakt in haar drang naar beheersing correct? En zo ja: wat vraagt het dan van ons om weer terug te keren naar zorg die wérkelijk nabij is?

Ik neem u mee langs vier periodes die voor mij bepalend zijn geweest:

1. 1970–1990: Tussen paternalisme en pedagogisch optimisme

2. 1990–2005: De opmars van organisatie en regeldruk

3. 2005–2015: De hoopvolle transitie richting de gemeente

4. 2015–2025: De transformatie die stokte

Toen ik begon op die eerste werkplek, was er geen protocol of handboek dat ons voorschreef hoe we de relatie met jongeren moesten aangaan. We leefden met hen samen. De tafels werden gedeeld, de conflicten ook. Ik geloofde dat nabijheid en vertrouwen essentieel waren, en ik werk nog altijd vanuit die overtuiging.

Destijds was de jeugdzorg sterk in beweging. We kwamen uit een tijd van grote instituten, veelal met een streng regime, en maakten de overstap naar kleinschaligheid, integratie in de wijk en het erkennen van de eigen kracht van jongeren. Pedagogiek was nog geen product, maar een verhouding – een ontmoeting van mens tot mens.

We deden soms dingen die nu niet meer ‘mogen’, maar zelden deed ik iets dat niet in het belang van het kind voelde. We keken met vertrouwen naar hun groeipotentieel, vanuit het besef: wat jongeren nodig hebben, zijn betrouwbare volwassenen die niet opgeven als het spannend wordt. Dat vertrouwen was wederzijds, ook tussen collega’s, en zelfs in het beleid was er ruimte om te doen wat werkte.

In de jaren negentig begon ik te merken dat er iets kantelde. De overheid wilde meer grip krijgen op de uitgaven en prestaties in de zorg. Daarmee kwam een tijd op gang die ik nu typeer als ‘de opmars van het systeem’. De introductie van Bureau Jeugdzorg, met zijn centrale indicatiestelling, moest zorgen voor eenduidigheid en efficiency. In theorie begrijp ik die wens – in de praktijk zag ik wat het deed: zorg werd gelaagd, traag en geknipt in stukjes.

De professional werd van bevlogen vakmens langzaam een instrument in een systeem van criteria, wachtlijsten en productcodes. Waar ik vroeger als directeur of hulpverlener de ruimte voelde om te doen wat nodig was – mits ik het kon uitleggen – begon juist dat toe- of uitleggen steeds meer tijd te kosten dan het werk zelf.

In diezelfde jaren werd ik ook pleegvader. Van binnenuit voelde ik wat systeemdruk doet met gezinnen: je merkt dat het vertrouwen in jou als mens wordt ingeruild voor wantrouwen dat zich aan je opdringt via formulieren, gesprekken met telkens andere mensen, en beoordelingskaders die weinig zeggen over wie het kind werkelijk is.

Toen ik betrokken raakte bij de voorbereidingen van de transitie – als wethouder, regionaal portefeuillehouder en adviseur – voelde ik opnieuw hoop. De Jeugdwet van 2015 bracht alle zorg voor jeugd over naar gemeenten. Dat was spannend én veelbelovend. Rechtstreeks nabij organiseren, zonder verkokering, met nadruk op preventie, eigen netwerk en maatwerk. Alles in mij zei: dit zou kunnen werken.

En tóch ging het anders. Ik zag gemeenten worstelen met hun nieuwe taken. Niet zelden waren de beleidsambtenaren onervaren met het sociaal domein. Tegelijk bleven systeemoplossingen zoals aanbestedingen de boventoon voeren. Hulpverlening werd een markt, geen relatie meer. De oorspronkelijke jeugdhulpverleners dreigden te veranderen in aanbieders van ingekochte dienstverlening binnen strakke contractafspraken.

Wat mij het meeste raakte, was de verwarring rondom regie. We hadden het idee van integrale teams, maar vaak kwamen er juist meer ‘schijven’ tussen vraag en antwoord. Als ik sprak met gezinnen, hoorde ik hun frustratie: “Ik heb vijftien mensen gesproken, maar nog steeds geen echte hulp.”

In deze laatste periode heb ik van dichtbij meegemaakt wat ik het meest pijnlijk vind: dat het oorspronkelijke, menselijke fundament van de jeugdzorg steeds moeilijker overeind te houden is. De transformatie die beloofd werd, is geen mislukking – maar wel ernstig vastgelopen.

Ik zie professionals die willen luisteren, verbinden en nabij zijn. Maar wat krijgen ze? Overleguren, verantwoordingsplicht, registratiedruk en risicosturing. We wieden inmiddels méér in Excel dan in levensverhalen. Dat is geen tekort aan motivatie – dat is een gevolg van hoe we hebben ingericht wat ooit op vertrouwen gebaseerd was.

De zorgkosten zijn inderdaad gestegen. Maar wie goed kijkt, ziet dat dit niet alleen komt door meer hulpvragen. Het komt ook – misschien wel vooral – door hoe we het georganiseerd hebben: aanbestedingscircussen, versnippering van zorgtrajecten, en controle opgebouwd uit complexiteit.

Als ik in deze jaren sprak met jongeren, bleef het me raken: zij zagen geen hulpverleners, zij zagen poppetjes die inwisselbaar leken. Waar je vroeger aan een hulpverlener kon vragen: “Mag ik vannacht bij jou blijven slapen?”, hoor je nu: “Dat valt buiten mijn pakket.”

Als ik over deze vijf decennia terugdenk, zie ik een duidelijke lijn. De intrinsieke motivatie van mensen in de jeugdzorg is nauwelijks veranderd – die is nog steeds enorm. Maar het systeem waarin ze moeten werken, is verworden tot een log, wantrouwend apparaat dat sturen verkiest boven verstaan van wat er speelt.

Om een kind – of ouder – werkelijk te helpen, is iets anders nodig. Geen protocol. Maar aanwezigheid, betrouwbaarheid en verbeeldingskracht. Dat weten we al sinds Korczak en Langeveld. En ik weet dat nog elke dag, in hart en hoofd.

Ik zie gelukkig ook tegenbewegingen:

  • Jongeren die meepraten en -beslissen over hun hulp;
  • Ouders die samen zorginitiatieven opzetten;
  • Professionals die zich verenigen in ‘ontregel de zorg’-bewegingen;
  • Gemeenten die opnieuw durven loslaten – en vertrouwen.

Het stemt me hoopvol, want alles begint met het besef dat jeugdzorg in de kern geen managementvraagstuk is, maar een menselijke opdracht.

Wat mij vijftig jaar geleden dreef, en nu nog steeds: kinderen die gezien worden. Ouders die zich gesteund weten. Professionals die kunnen doen waarvoor ze ooit gekozen hebben. En een samenleving die begrijpt dat onze jeugd geen kostenpost is, maar een collectieve belofte.

We staan voor een keuze: houden we vast aan controle en structuren die ooit bedoeld waren om te helpen, maar die nu vaak hinderen? Of durven we het kind, de ouder én de professional weer centraal te zetten?

Ik kies voor het laatste. En als ik terugkijk, dan weet ik – met alle nuance – dat de menselijkheid waarmee ik begon, niet verdwenen is. Ze wacht. Op erkenning, op ruimte. Op een toekomst waarin we opnieuw durven zeggen:

Wie denkt dat dit mijn afscheid is, zit ernaast. Ik blijf mij met volle overtuiging inzetten voor de jeugdzorg en het welzijn van mensen, zolang dat mogelijk is. Gewoon, omdat samen optrekken met anderen – en zeker met mensen in moeilijke omstandigheden – mij altijd diep heeft geraakt en gestimuleerd. Zolang er een nieuwe dag is, is er een toekomst om je voor in te zetten. En wat mij betreft verdient juist de jeugd die tomeloze inzet – vandaag, morgen én ver daarna.