In Nederland hebben alle kinderen tot hun achttiende leerplicht. Toch zijn er duizenden jongeren die, ondanks deze wettelijke verplichting, niet naar school gaan. Ze worden thuiszitters genoemd: jongeren die, vaak tegen hun zin, buiten het reguliere onderwijs vallen. Dit fenomeen vraagt om een diepgaande analyse én een frisse blik op hoe we leren en ontwikkelen organiseren.

Thuiszitters zijn geen homogene groep. Sommigen kampen met psychische of lichamelijke problematiek, anderen lopen vast door sociale angst, overprikkeling, of een gebrek aan aansluiting bij het bestaande schoolsysteem. Wat hen verbindt, is dat ze tussen wal en schip vallen: ze hebben recht op onderwijs, maar het systeem biedt geen passende plek.

Het klassieke idee dat school dé plek is waar jongeren zich ontwikkelen, houdt voor veel thuiszitters geen stand. Voor sommigen werkt het schoolsysteem zelfs averechts. De nadruk op cognitieve prestaties, het strakke rooster en de groepsdynamiek kunnen belemmerend werken. Juist deze jongeren hebben behoefte aan maatwerk, aan een omgeving waar hun talenten en energiebronnen centraal staan.

Een alternatief dat steeds meer aandacht krijgt, is het meester-gezel model. In deze constructie neemt een volwassene – een vakman, kunstenaar, ondernemer of ambachtsvrouw – een jongere onder zijn of haar hoede. Samen werken ze aan projecten, leren ze vaardigheden in de praktijk en ontstaat er een natuurlijke overdracht van kennis en passie. Deze manier van leren sluit aan bij de intrinsieke motivatie van jongeren. Ze zien direct het resultaat van hun inspanning, krijgen persoonlijke aandacht en ontwikkelen zelfvertrouwen.

Het is essentieel om te kijken waar de energiebron van de jongere zit. Wat maakt hem of haar blij? Waar is nieuwsgierigheid? Door daarop in te spelen, wordt leren vanzelfsprekender en effectiever. Jongeren die mogen ontdekken waar hun hart sneller van gaat kloppen, ontwikkelen zich sneller en met meer plezier. Vaardigheden en kennis worden dan niet opgedrongen, maar als het ware ‘vanzelf’ opgepikt.

Onderwijsinstellingen hebben een grote verantwoordelijkheid. Zij moeten niet alleen zorgen voor passend onderwijs binnen de muren van de school, maar ook daarbuiten. Dat vraagt om lef, creativiteit en samenwerking met het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en zelfstandige professionals. Het betekent ook dat scholen hun rol moeten herzien: niet als enige aanbieder van kennis, maar als regisseur van een divers palet aan leerwegen.

Ik pleit voor een flexibele invulling van de onderwijsroute. Dat kan door:

  • Combinaties van leren en werken: Jongeren kunnen deels op school en deels in de praktijk leren.
  • Persoonlijke leertrajecten: Samen met de jongere en zijn of haar netwerk wordt een uniek leerpad uitgestippeld.
  • Erkenning van alternatieve leeromgevingen**: Stages, vrijwilligerswerk, ondernemerschap en meester-gezel-trajecten tellen mee als volwaardig onderdeel van de leerplicht.
  • Begeleiding op maat: Volwassenen die zich committeren aan jongeren, fungeren als mentor, coach en inspirator.

Thuiszitters verdienen een plek waar ze kunnen groeien, leren en zichzelf ontdekken. Dat vraagt om een mentaliteitsverandering: van denken in standaardoplossingen naar maatwerk en vertrouwen in de kracht van jongeren. Onderwijsinstellingen moeten hun verantwoordelijkheid nemen, maar vooral ook ruimte geven aan alternatieven. Want pas als we echt kijken naar waar de energie van de jongere zit, ontstaat er een leeromgeving waarin iedereen tot bloei kan komen.

Jasper, 16 jaar, is een slimme, creatieve jongen die volledig vastliep in het reguliere onderwijs. School voelde voor hem als een gevangenis: te veel prikkels, te weinig ruimte voor zijn eigen tempo en interesses. Na maanden thuiszitten raakte hij steeds verder geïsoleerd. Zijn energiebron? Werken met zijn handen, dingen maken, direct resultaat zien. Via het 10.000 jongerenplan van Overijssel werd hij gekoppeld aan een lokale meubelmaker, een vakman met hart voor jongeren. In een meester-gezel-constructie mocht Jasper onder begeleiding aan de slag in de werkplaats. De meubelmaker nam niet alleen zijn vakkennis, maar ook zijn levenservaring mee in het contact met Jasper. Er ontstond een vertrouwensband: Jasper voelde zich gezien, mocht fouten maken en kreeg verantwoordelijkheid. Langzaam groeide zijn zelfvertrouwen. Hij leerde niet alleen het ambacht, maar ook samenwerken, plannen en omgaan met tegenslag. Na een jaar stroomde Jasper via een leerwerktraject door naar een mbo-opleiding, met een stevige basis én een mentor voor het leven.

Kern

  • Aansluiten bij de energie en talenten van de jongere.
  • Leren in een betekenisvolle, relationele context.
  • Meester-gezel-constructie als alternatief voor klassikaal onderwijs.

Sanne, 17 jaar, verloor haar motivatie op school na een periode van psychische klachten. Ze voelde zich onbegrepen en raakte uit beeld. In plaats van haar te dwingen terug te keren naar het oude systeem, werd ze via een regionaal initiatief betrokken bij het project ‘Nieuwe Energie’. Hier werken jongeren samen met professionals aan oplossingen voor de energietransitie. Sanne kreeg de kans om haar ideeën in te brengen, mee te denken over communicatie en zelfs een eigen campagne op te zetten. Ze werd begeleid door een jonge professional die haar stimuleerde om haar creativiteit en maatschappelijke betrokkenheid te benutten. Door deze praktische en sociale leeromgeving vond Sanne haar motivatie terug. Ze leerde projectmatig werken, presenteren en samenwerken, en ontwikkelde een netwerk in de regio. Inmiddels combineert ze een deeltijdopleiding met haar werk bij het project, en voelt zich weer volwaardig deelnemer aan de samenleving.

Kern

  • Jongeren serieus nemen als mede-vormgevers van hun eigen leertraject.
  • Combinatie van maatschappelijke relevantie, praktijkervaring en persoonlijke begeleiding.
  • Flexibele routes die aansluiten bij de leefwereld en energie van jongeren.

Beide casussen laten zien dat het loont om buiten de gebaande paden te denken. Niet de school als doel, maar het ontwikkelen van talent, zelfvertrouwen en maatschappelijke betrokkenheid als uitgangspunt. Door ruimte te bieden aan alternatieve leeromgevingen, zoals meester-gezel-trajecten of maatschappelijke projecten, krijgen thuiszitters de kans om hun energie en potentieel te ontdekken en te benutten. Het vraagt lef van onderwijsinstellingen en beleidsmakers om deze routes te faciliteren, maar de opbrengst is groot: jongeren die weer perspectief zien, zich ontwikkelen en bijdragen aan de samenleving.

Dit stuk heb ik geschreven vanuit een diepgewortelde overtuiging, gevormd door mijn eigen levensloop. Als zoon van een onderwijzer koos ik op vijftienjarige leeftijd een andere weg dan velen verwachtten: ik verliet de schoolbanken en begon te werken als ober bij Van der Valk in Molenhoek. Later trok ik als broodventer door Nijmegen, en op mijn negentiende startte ik – zonder diploma – als groepsleider in de jeugdzorg. Die praktijkervaring bleek een fundament waarop ik verder bouwde: na enkele jaren kreeg ik de kans om directeur te worden van de organisatie waar ik werkte, een rol die ik twintig jaar met toewijding heb vervuld.

Mijn drijfveer om bij te dragen aan het welzijn van jongeren en kwetsbare groepen leidde me vervolgens naar het wethouderschap in mijn gemeente. Daarna heb ik ruim vijfentwintig jaar als adviseur binnen het sociaal domein gewerkt, een terrein waarin ik inmiddels als expert word beschouwd. Mijn inzichten zijn niet alleen gebaseerd op theorie, maar vooral op de praktijk: op wat ik heb gezien, gevoeld en geleerd in de directe omgang met mensen. Die ervaring vormt de kern van mijn overtuiging dat beleid en ondersteuning alleen waarde hebben als ze aansluiten bij de werkelijkheid van mensen zelf.

Met dit nawoord wil ik benadrukken dat mijn verhaal geen blauwdruk is, maar een persoonlijke getuigenis. Ik hoop dat het inspireert om altijd te blijven kijken naar wat mensen nodig hebben en om ruimte te bieden aan onconventionele paden.