De taakgerichte uitvoeringsvariant voor de inkoop van jeugdzorg biedt gemeenten en zorgaanbieders nieuwe mogelijkheden voor langdurige samenwerking en vermindert administratieve lasten. Toch roept deze aanpak ook vragen op. Hoe kan de taakgerichte uitvoeringsvariant bijdragen aan betere controle op zorgkosten en een grotere focus op het welzijn van de cliënt? Dit artikel biedt een overzicht van de voordelen, uitdagingen, en leerpunten uit de praktijk.

De taakgerichte uitvoeringsvariant verschilt sterk van de inspanningsgerichte bekostiging. Bij de inspanningsgerichte methode vergoedt de gemeente de geleverde zorg per cliënt op basis van uren. In de taakgerichte variant wordt een jaarlijks budget toegekend aan zorgaanbieders, die vervolgens zorg en ondersteuning leveren aan alle cliënten binnen een bepaald gebied, domein of zorgvorm.

De taakgerichte aanpak focust minder op afzonderlijke zorgproducten en meer op de levenskwaliteit en behoeften van de cliënt. Dit biedt zorgverleners de ruimte om samen met inwoners oplossingen te ontwikkelen die duurzaam en effectief zijn, vaak op diverse leefgebieden zoals welzijn, onderwijs, en maatschappelijke ondersteuning. Door de regie meer bij de zorgverleners en cliënten zelf te leggen, wordt verwacht dat deze uitvoeringsvariant zowel flexibel als toekomstgericht kan zijn.

Het succes van de taakgerichte uitvoeringsvariant valt of staat met goed partnerschap tussen gemeenten en aanbieders. Enkele voorwaarden zijn hierbij belangrijk

  1. Een gedeelde visie op maatschappelijke ontwikkeling: Wat willen gemeenten en aanbieders samen bereiken in termen van levenskwaliteit en inclusie?
  2. Duidelijke uitvoeringsdoelen en resultaten: Er moeten meetbare doelen zijn die het gezamenlijke succes definiëren.
  3. Goede toegangsprocessen voor cliënten: Gemeenten moeten zorgen voor een duidelijk en toegankelijk pad naar zorg voor inwoners.
  4. Effectieve ondersteuning van bedrijfsvoering en verantwoording: Beide partijen hebben baat bij efficiënte processen en transparante verantwoording.

In de praktijk brengt de taakgerichte variant een aantal veelvoorkomende uitdagingen met zich mee. Tijdens sessies en leerkringen georganiseerd door het Ketenbureau i-Sociaal Domein, werden enkele belangrijke thema’s benoemd

  • Samenwerking en governance: Hoe kan een gemeente de samenwerking met zorgaanbieders optimaal organiseren? Dit geldt ook voor de onderlinge samenwerking tussen zorgaanbieders.
  • Risicoverdeling en sturing: Een eerlijke risicoverdeling en inzicht in sturingsinformatie zijn cruciaal voor effectieve samenwerking.
  • Administratieve lasten: Hoewel de taakgerichte variant administratieve lasten bij de gemeente vermindert, blijken ze soms te verschuiven naar de zorgaanbieders, die alsnog uitgebreide verantwoording moeten afleggen.
  • Integrale benadering van zorg en ondersteuning: De variant moet verder gaan dan alleen lumpsum financiering; de zorg moet geïntegreerd zijn en gericht op alle relevante domeinen die het leven van een cliënt beïnvloeden.
  • De cliënttoegang en rechtsbescherming: Het is belangrijk om te zorgen dat cliënten de juiste ondersteuning kunnen vinden en dat hun rechten goed zijn beschermd.

Een succesvol partnerschap tussen gemeenten en aanbieders vereist ook een gedeeld inzicht in het zorglandschap. Hierbij is het handig om de positie en rol van iedere zorgaanbieder te visualiseren, zodat er een compleet overzicht ontstaat. Het Regioteam Opdrachtgeverschap & Opdrachtnemerschap Jeugdwet & Wmo kan dit proces ondersteunen, en biedt tools om een gedeeld beeld te ontwikkelen.

Hoewel de taakgerichte uitvoeringsvariant veel potentie heeft, blijft doorontwikkeling noodzakelijk. Samenwerking op het gebied van bedrijfsvoering tussen gemeenten en aanbieders kan bijvoorbeeld administratieve lasten verder verlichten en sturingsprocessen verbeteren. Het Ketenbureau i-Sociaal Domein werkt dan ook actief samen met gemeenten, aanbieders en partners om doorontwikkeling mogelijk te maken. Daarbij worden aanvullende handreikingen en standaarden ontwikkeld, onder andere voor thema’s zoals governance en passende toewijzing.

De keuze voor de taakgerichte uitvoeringsvariant hangt af van de specifieke visie en doelen van de gemeenten en aanbieders. De variant biedt waardevolle mogelijkheden voor meer cliëntgerichte, integrale zorg, maar vraagt ook om een bewuste en goed onderbouwde keuze. Door heldere afspraken en een stevige basis in governance en samenwerking kan de taakgerichte uitvoeringsvariant bijdragen aan duurzame zorgvernieuwing in het sociaal domein.

Inmiddels is echter ook duidelijk dat, om deze uitvoeringsvariant uit de kinderschoenen te helpen, ook de juridische randvoorwaarden voor een effectieve uitvoering om doorontwikkeling vragen. 

De taakgerichte uitvoeringsvariant in de jeugdhulp, waarbij gemeenten via resultaatgerichte beschikkingen werken, loopt namelijk tegen diverse uitdagingen aan. Denk aan de recente uitspraken van de Centrale Raad van Beroep over de scheiding tussen Toegang tot en uitvoering van jeugdhulp en over resultaatgericht beschikken, die duidelijk maken dat er juridische beperkingen zijn die spanning opleveren met de oorspronkelijke bedoeling van de decentralisaties binnen het sociaal domein. Deze uitdagingen hebben vooral te maken met het vinden van een balans tussen de beleidsvrijheid die gemeenten nodig hebben voor maatwerk en innovatie en de strikte juridische eisen.

De spanning tussen decentralisatie en juridische regelgeving draait o.m. rond:

  1. Scheiding van toegang en uitvoering: De wet legt strikte eisen op aan de scheiding tussen toegang (keuze voor passende zorg) en uitvoering (hulpverlening). Dit belemmert de integrale aanpak en de flexibiliteit die gemeenten nodig hebben om zorg passend in te richten.
  2. Resultaatgericht beschikken: Gemeenten moeten het resultaat van zorg vastleggen, maar recente jurisprudentie vraagt om meer specifieke omschrijvingen van de zorgverlening. Dit staat haaks op de flexibiliteit en het maatwerk die centraal staan bij resultaatgericht werken.
  3. Decentralisatie versus uniformiteit: De decentralisatie beoogde lokale beleidsvrijheid, maar juridische eisen dwingen gemeenten vaak tot uniforme procedures, waardoor maatwerk en lokale aanpassingen onder druk komen te staan.

De juridische beperkingen ondermijnen de beleidsintenties van de decentralisaties, omdat ze de ruimte voor maatwerk, integraliteit en flexibiliteit belemmeren. Gemeenten staan daardoor voor de uitdaging om enerzijds aan wettelijke eisen te voldoen en anderzijds de inhoudelijke doelen van de decentralisaties waar te maken.

Een zinvolle reactie op deze uitdagingen is om in gesprek te gaan met de politiek om de balans tussen beleidsvrijheid en juridische kaders te herstellen. De intentie van de decentralisaties was immers om gemeenten ruimte te geven voor maatwerk en een integrale aanpak in het sociaal domein. Als de juridische kaders deze ruimte te sterk inperken, kan dit de effectiviteit van gemeentelijk beleid en de kwaliteit van zorg en ondersteuning ondermijnen.

  1. Meer beleidsruimte: Door aanpassingen in wet- en regelgeving kan de juridische rigiditeit versoepeld worden, zodat gemeenten meer vrijheid krijgen in het afstemmen van zorg en uitvoering.
  2. Verduidelijking van juridische kaders: Duidelijkheid over de ruimte binnen de wetgeving kan helpen om de uitvoering efficiënter te maken zonder juridisch risico.
  3. Wet- en regelgeving aanpassen: In sommige gevallen is een wetswijziging nodig om belemmeringen te verwijderen en de decentralisatie-idealen daadwerkelijk te realiseren.

Het gesprek met de politiek is essentieel om de juridische basis te versterken en de decentralisatie-idealen in de jeugdhulp waar te maken.

Door deze dialoog kunnen gemeenten en de politiek gezamenlijk werken aan een juridische basis die de oorspronkelijke beleidsintenties van de decentralisaties daadwerkelijk ondersteunt, met aandacht voor lokaal maatwerk en effectieve jeugdhulp.

Moet je als gemeente of aanbieder over willen stappen naar de taakgerichte uitvoeringsvariant? Dat hangt af van de visie en doelstellingen die je samen hebt. Het hangt samen met de wijze waarop je wilt sturen op de ontwikkelingen. Elke uitvoeringsvariant kan goed werken, mits consequent en met continuïteit uitgevoerd. Voorop staat dat je als (samenwerkende) gemeente(n) en aanbieders een keuze moet maken die past bij de situatie. Overstappen doe je dus alleen als het écht past bij de gezamenlijke visie en doelstellingen van inwoners, gemeenten en aanbieders.

Wil je over dit alles meer weten? Heb je suggesties, twijfels of juist inspirerende gedachten? Wij horen ze graag! Mail of bel!

De auteur, Peter Paul J. Doodkorte is als zelfstandig adviseur voor overheden en organisaties werkzaam binnen het sociaal domein. Hij is ook één van de (zeven) Regioadviseurs die samen het landelijk werkende Regioteam Opdrachtgever-/opdrachtnemerschap Wmo en Jeugdwet vormen.

Het Regioteam ondersteunt gemeenten én aanbieders bij het werken volgens de bedoeling en opereert – vanuit en in samenwerking met het Samenwerkingsplatform Sociaal Domein – namens het Ketenbureau i-Sociaal Domein dat wordt aangestuurd door de Stuurgroep i-Sociaal Domein. Hierin hebben naast de zorgbranches (Actiz, GGZ Nederland, Jeugdzorg Nederland, Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland en Valente) ook vertegenwoordigers vanuit de gemeenten, de VNG, en VWS als stelselverantwoordelijke, zitting hebben.

De Regioadviseurs beschikken over een breed palet aan producten en diensten, instrumenten, opleidingen en praktijkvoorbeelden. Daarnaast hebben ze toegang tot een groot netwerk van experts, ervaringsdeskundigen en een rechtstreeks lijntje met ‘Den Haag’.