De grote opgaven binnen het sociaal domein – en de jeugdzorg daarbinnen in het bijzonder – zijn niet oplosbaar binnen ons huidige (foute) beeld van mens en maatschappij. De oplossing zit hem niet in meer geld, beleid, regels of toezicht. Integendeel. Juist de drang naar controle brengt ons verder weg dan dichter bij het doel. Het is te complex of rigide. Een houd- en betaalbaar stelsel van jeugdzorg vraagt naast balans tussen controle en flexibiliteit het verleggen van de focus op problemen naar het ontwikkelen van de talenten van onze jeugd. Versimpelen, loslaten en anders vastpakken dus. De kracht van eenvoud als antwoord op wat ik “de staat van ernst” noem.

De zorg voor jeugd in Nederland kent een hoge mate van toegankelijkheid en kwaliteit, maar kent juist daardoor ook uitdagingen. De (te overvloedige) beschikbaarheid van zorg en ondersteuning leidt tot een ‘overgemedicaliseerd’ systeem, waarin voor elk klein probleem professionele zorg of ondersteuning beschikbaar is. Door de alsmaar groeiende zorgconsumptie en een hoge administratieve last, wat de efficiëntie en soms zelfs de effectiviteit van de zorg ondermijnt, staat de houdbaarheid van het stelsel stevig onder druk.  De strategieën om het tij te keren blijken keer op keer mank te gaan aan het zogenaamde boemerangbeleid: beleidsmaatregelen die, in plaats van de beoogde positieve effecten te bereiken, onverwachte negatieve gevolgen hebben die uiteindelijk terugslaan op de beleidsmakers of de samenleving. Er is vaak sprake van gebrekkige planning en onderzoek, een concentratie op directe doelen, waarbij de bredere, indirecte gevolgen van de acties genegeerd worden en een korte termijn focus.

De oorzaak van de kostenontwikkeling in de zorg is een giftige mix van beheersdrift, beleidsdrukte, individualisering, prestatiedruk, medicalisering, vermarkting, overregulering, risicomijding en afhankelijkheidsreproductie.

Een beter passend – en vooral een werkend – antwoord vereist een open, flexibele en inclusieve benadering van beleidsvorming, waarbij de leefwereld van kinderen, ouders en huishoudens centraal staat. Een aanpak die diepgeworteld is in de realiteit van de dagelijkse levens van mensen, waarbij aandacht wordt besteed aan hun specifieke behoeften en omstandigheden. Dit vraagt om een benadering die verder gaat dan het traditionele top-down model en zich richt op inclusiviteit, flexibiliteit en een oprechte betrokkenheid bij de gemeenschap. Het vraagt een gecoördineerde inspanning van alle belanghebbenden, waaronder beleidsmakers, zorgverleners, gezinnen en de bredere gemeenschap.

Maar wat hebben wij gedaan en doen wij steeds opnieuw? Wij hebben de ondersteuning voor onze jeugd – met de beste bedoelingen – kapot gesegmenteerd. Naast het op grote schaal werken aan ‘storingsvrije kinderen’ heeft dit een tendens tot gevolg om uitdagingen in opvoeding en onderwijs psychopathologisch te definiëren. En we praten daardoor over gedrag van kinderen in termen van ADHD, autisme, depressie.

Als je problemen hebt met je kind omdat het zich afwijkend gedraagt en je hebt daar een label voor – Asperger, ADHD, ODD – dan is het een probleem van het kind geworden. Dat is het beeld dat wij hebben geconstrueerd. De hoeveelheid en kringen van professionals rondom ouders en jeugdigen zijn daardoor in de loop der jaren stevig gegroeid. Net zo goed als de systemen (toegangspoortjes) die erop gericht zijn om dat tegen te gaan.

Laat ik het nog wat concreter maken. Huisartsen zien het aantal studenten met psychische problemen stijgen. Psychologen zijn niet aan te slepen. Steeds meer studenten kampen met psychische problemen. De oorzaak is een opeenstapeling van stressfactoren: toegenomen prestatiedruk op universiteiten, angst voor schulden, de invloed van sociale media.

Precies, denk ik dan. Dat is wat wij doen: wij bieden behandelingen aan om de gevolgen te bestrijden, te verzachten of hanteerbaar te maken. Wij lopen over van begrip voor de cliënt, diepen het probleem graag uit, waardoor er vaak een vicieuze cirkel ontstaat met als gevolg een steeds groter wordend probleem dat voor de persoon die er last van heeft alleen maar ingewikkelder en onoverzichtelijker wordt. De sfeer wordt beladen met problemen, waardoor het gevaar dreigt dat de oplossing steeds verder uit het zicht raakt er ook de hoop op verbetering zal afnemen. Het doet mij denken aan de boodschap die ik jaren geleden kreeg van de meiden van Fier[1]: “Jullie hulpverleners willen alleen maar praten over onze problemen. Daardoor worden zij een berg, waar wij niet meer overheen kunnen kijken. Wij willen praten over onze toekomst. Over opleiding, werk en zo.”

Onze focus op zorg werkt zorgverslaving in de hand. De manier waarop overheid en zorgverleners sociale vangnetten en ondersteuningsprogramma’s beheren stimuleert het gebruik van de glijbaan naar zorg. Het ontmoedigt mensen in het streven naar zelfredzaamheid en maakt ze juist afhankelijk van zorg en ondersteuning. Het is belangrijk voor beleidsmakers een evenwicht te vinden tussen ondersteuning van degenen die het echt nodig hebben en het aanmoedigen van zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid.

Een perspectief voor toekomstige jeugdzorg? Versimpelen, loslaten en anders vastpakken. De kracht van eenvoud als antwoord op wat ik “de staat van ernst” noem. Beleid maken, gericht op ontplooiing, met ruimte voor sociale relaties, en zorg voor samenhangende ondersteuning. Dat schrijft ook de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (RVS) in haar advies “Van overleven naar bloeien”.

De huidige systemen van hulp en ondersteuning schieten tekort. Sterker nog, in veel gevallen draagt de manier waarop mensen worden geholpen bij aan het ontstaan en/of de hardnekkigheid van bestaansonzekerheid. Er wordt zonder meer veel geld in de samenleving gepompt. Geld is dan ook niet het probleem. De manier waarop wij het uitgeven is het echte probleem.

Dat meerdere zorg- en socialezekerheidswetten niet op elkaar aansluiten helpt evenmin. In het ene stelsel wordt zelfredzaamheid en het eigen netwerk benutten beloond, in het andere bestraft. Neem twee oude zussen die na het overlijden van hun partners besluiten samen te wonen. De Wmo 2015 juicht dit toe en er komt hierdoor een woning vrij, maar bij de AOW worden ze gekort op hun uitkering. Een oom en tante die tijdelijk een nichtje laten inwonen bieden informele hulp en ondersteuning, maar krijgen wat betreft toeslagen, uitkeringen en heffingen een financiële draai om de oren.

Wanneer wij de jeugdige en diens leefwereld centraal stellen, moeten wij ook het perspectief kantelen en de oplossing zoeken waar inwoners en overheid elkaar ontmoeten. Dat biedt aanknopingspunten voor het aanpakken en prioriteren van verbetering en de onderlinge wisselwerking die daarbij gewenst is. En ja, dit vraagt een brede kijk op het speelveld en een opvatting over hoe we met elkaar omgaan. Daarbij is het de hoogste tijd dat wij ‘het voorveld’ (de lokale samenleving en de leefwereld van kinderen, ouders en huishoudens zelf) eindelijk eens de status geven die het verdient. Niks voorveld. De leefomgeving van mensen is het hoofdveld. Zolang wij de basis, de leefomgeving van mensen – jong en oud – als ‘het voorveld’ blijven zien, zal alle aandacht en het meeste geld ook voor zorg nodig blijven.

Zolang wij de basis, de leefomgeving van mensen – jong en oud – als ‘het voorveld’ blijven zien, zal alle aandacht en het meeste geld ook voor zorg nodig blijven.

Hoe dat moet? Investeer in ‘bloei’ en maak beleid gericht op ontplooiing. Versterk en faciliteer het gewone leven met en door medemenselijk opvoeden. zoals Micha de Winter[2] dat noemt. Daarbij draait het om empathie, respect, en het begrijpen van en aansluiten op de behoeften en gevoelens van anderen. Dit vraagt om een inclusieve en empathische opvoedingsbenadering, waarbij ouders en opvoeders zich richten op het bevorderen van de emotionele, sociale en psychologische ontwikkeling van het kind met respect voor hun eigenheid en individualiteit. Dit betekent luisteren naar hun perspectief, hun emoties erkennen en hen helpen deze te begrijpen en ermee om te gaan. Het vraagt het aanmoedigen van de ontwikkeling van zelfvertrouwen, zelfbewustzijn en zelfregulering bij het kind, terwijl tegelijkertijd ondersteuning wordt geboden wanneer dat nodig is. Dit betekent het geven van ruimte voor zelfexpressie en keuze, terwijl grenzen en structuur worden geboden om het kind te begeleiden. Oftewel: wij moeten gericht zijn op het stimuleren van geluk.

Dit vraagt van ouders, opvoeders en hulpverleners de kunst van het anders kijken. Een verschuiving van invalshoek: van de problematiek naar de toekomst, ambities en dromen. Logisch. Want je kunt nog zulke goede zorg hebben gehad; wat heb je eraan als je vervolgens geen enkele kans hebt in de samenleving? Het is vaak nauwelijks te zeggen of een kind opknapt door een behandeling. Veel mensen knappen spontaan op. Als dat zo is, waarom zetten wij dan zoveel behandeling in?

Paul Cézanne, een invloedrijke Franse post-impressionistische schilder, had een geliefd thema voor zijn schilderijen: de Saint-Victoireberg, dicht bij zijn huis in Aix-en-Provence. Hij heeft deze berg wel zestig keer geschilderd. Iemand vroeg hem eens of het niet saai was om maar steeds hetzelfde object te schilderen. Cézanne gaf aan dat het helemaal niet saai was: „„Als ik het doek maar wat verplaats, levert dat al een geheel nieuw landschap op.” Cézanne slaagde er dus in steeds op een andere manier naar het vertrouwde te kijken. Daarmee ontdekte hij steeds weer nieuwe kansen voor een unieke creatie.

Als professionals kunnen we veel leren van kunstenaars als Cézanne, die een meester was in het vinden van nieuwe kansrijke perspectieven. Hij wist te ontsnappen aan een eenzijdige blik op de wereld. Het wordt tijd dat ook wij leren te ontsnappen aan een stelsel dat zich manifesteert als een overgereguleerde, bureaucratische omgeving waarin zowel zorgverleners als ouders en jeugdigen zich gevangen voelen door inefficiëntie, gebrek aan flexibiliteit en onpersoonlijke behandelingen. Dit ontsnappen vereist niet per se een dramatische exit; het begint met het vinden van persoonlijke vrijheden binnen of ondanks de grenzen van het systeem. Elk pad zal uniek zijn, afhankelijk van de specifieke omstandigheden en mogelijkheden.

Participatie als het hart van het sociaal domein benadrukt hoe belangrijk het is om inwoners – jong en oud – actief te betrekken bij het vormgeven en uitvoeren van sociaal beleid.

Daarom adviseer ik gemeenten om niet de Toegang tot jeugdhulp en Wmo het hart te laten zijn van het sociaal domein. De toegang is de nooduitgang. Participatie. Daar draait het om. Meetellen en meedoen. Gezien en gehoord worden. Participatie als het hart van het sociaal domein benadrukt hoe belangrijk het is om inwoners – jong en oud – actief te betrekken bij het vormgeven en uitvoeren van sociaal beleid. Dit betekent dat wij ervoor zorgen dat zij, vooral degenen die direct door dit beleid worden beïnvloed, een stem krijgen in het besluitvormingsproces. Dat zij kunnen meedenken en meepraten over beleid dat hun leven beïnvloedt. Dat zij de macht en middelen krijgen om zelf beslissingen te nemen over zaken die hen direct aangaan. Dit zal leiden tot meer op maat gemaakte oplossingen die beter aansluiten bij de behoeften.

Werk samen met jeugdigen, ouders en opvoeders, niet als consumenten van diensten, maar als actieve deelnemers in het ontwerpproces. Zorg ervoor dat alle groepen in de samenleving, inclusief de meest kwetsbare, de kans krijgen om deel te nemen aan de samenleving. Dit vereist naast het wegnemen van barrières zoals taal, mobiliteit, financiële beperkingen, en digitale kloven vooral ook het mogelijk maken van ontwikkeling door deel te nemen aan het verenigingsleven. Van scouting tot theater en van voetbal tot muziek.

Ik gun gemeenten en professionals meer ‘taarten van Abel’. Doe iets leuks met de jeugd, iets waar ze blij van worden en waar ze energie van krijgen, en neem ‘en passant’ ook hun leven, uitdagingen, opgaven en ervaringen mee.

Door participatie het hart van het sociaal domein te maken, kunnen overheden en hulpverleners ervoor zorgen dat beleid niet alleen effectiever is, maar ook rechtvaardiger en meer in lijn met de wensen en behoeften van jeugdigen, inwoners en huishoudens. Dit bevordert ook de democratische betrokkenheid en kan helpen om het vertrouwen tussen hen en overheid te herstellen of te versterken. Daarom ook gun ik gemeenten en professionals meer ‘taarten van Abel’. Doe iets leuks met de jeugd, iets waar ze blij van worden en waar ze energie van krijgen, en neem ‘en passant’ ook hun leven, uitdagingen, opgaven en ervaringen mee. Richt u op kracht van vriendschap, liefde, verbondenheid en geluk! Wat dat vraagt? Aandacht en interesse. En dat levert heel veel op!


[1] Fier (Leeuwarden, Capelle aan den IJssel) helpt slachtoffers van geweld in een afhankelijkheidsrelatie. De hulp bestaat uit advies, begeleiding, veilige opvang en behandeling.

[2] Micha de Winter (Oss, 29 juni 1951) is een Nederlandse hoogleraar in de pedagogiek.

Dit artikel werd in juni 2024 ook gepubliceerd in

Jeugdzorg: Quo vadis?

Sozio 2- 2024

ISBN 9789085603535| 124 pagina’s | Paperback | 1ste druk 2024