
Revolutionair en verfrissend boek over vernieuwing van de psychiatrie.
Veel mensen die in de psychiatrie werken, komen tot de conclusie dat het anders kan. De DSM-diagnoses voelen beperkend, ze vertellen ons niets over de kern van het psychisch lijden. Maar wat dan wel? We zijn God niet gaat over een nieuwe kijk op psychisch lijden, diagnose en behandeling. Het uitgangspunt is dat niet de hulpverlener de waarheid in pacht heeft maar dat die in gezamenlijke samenwerking met de hulpvrager gevonden wordt.
Autonomie van de patiënt, bewustzijn en cocreatie zijn hierbij belangrijke onderwerpen. Vanuit professionele – en ervaringskennis nemen de auteurs de huidige psychiatrie onder de loep. Hun voornaamste doel is het streven naar een gelijkwaardige relatie tussen behandelaar en cliënt.
Het is zonder meer baanbrekend en een ‘breinbreker’ van formaat.
Hoe is het gesteld met de ggz in de zogenaamde WEIRD-landen (westers, hoogopgeleid, geïndustrialiseerd, rijk, democratisch)? Inderdaad, weird. Hoe komt het dat bijvoorbeeld in Nederland 20% van de populatie psychische klachten vertoont, maar slechts 7 à 8% in de ggz terechtkan?
De auteurs, ervaren in hun specifieke expertise, nemen een krachtig standpunt in: de uitgangspunten van ervaringskennis en de uitgangspunten van de traditionele ‘psy-wetenschap’ liggen veel dichter bij elkaar dan doorgaans wordt gedacht (p. 18). De auteurs spreken van ervaringsconvergentie. Om dit te kunnen plaatsen, is een verruimend denkkader nodig waarin het existentiële en spirituele evenveel waarde hebben als het bekende biopsychosociale denken. Met dien verstande dat biologie in de juiste proportie (h)erkend wordt: genetica van het psychisch lijden en het brein zijn voorwaardelijk voor het mentale (wel)zijn. Ook de psychologie én de context van psychisch lijden krijgen uitgebreid aandacht. Met het ruime perspectief dat de auteurs hanteren, weerstaan ze de verleiding van een wetenschap om het gat van het niet-weten te vullen met bio-babble of psycho-babble (p. 198).
Bovenstaande analyse en exploratie zijn noodzakelijk om tot de kern van het boek te komen: wat is het pleidooi voor een nieuwe psychiatrie van samenwerking?
Cocreation is the word. In feite is de grondslag … evident. Psychisch lijden is menselijk. Aangezien elk mens vatbaar is voor psychisch lijden is het weerom evident om als medemensen met elkaar om te gaan. De ervaringsconvergentie maakt het mogelijk dat het zelfhelend vermogen van de persoon wordt aangesproken door wat de auteurs treffend het ‘therapeutisch ritueel’ noemen. Het is een metafoor voor dat wat echt werkt, de therapeutische relatie in welke vorm dan ook. Medicus curat natura sanat, wisten de Ouden al.
Het is ook een waardevolle dynamiek met onmisbare ingrediënten als authenticiteit, mensgerichtheid (voorbij symptoomreductie), deliberate practice (‘een ander woord voor niet-God-willen-zijn’, p. 105) en relationeel werken met naasten vanuit het primaat van het zelfherstellende vermogen.
De auteurs trekken cocreatie door naar de organisatie van de zorg en lanceren het innovatieve ecosysteem mentale gezondheid, gekenmerkt door verantwoordelijkheid voor de hele populatie en multidimensionale transparantie. Dat het wel degelijk hout snijdt, blijkt uit hun concrete uitwerking in tien stappen.
In het slothoofdstuk beschrijven beide auteurs hun persoonlijke weg naar cocreatie. Van authenticiteit en transparantie gesproken.
Met bijdragen van onder meer: Floortje Schepers, Dick Swaab, Stijn Vanheule en Gil The Grid.
