• Staar je niet blind op een deur die gesloten blijft, maar kijk naar de deur die open staat

In sommige gevallen kan het wenselijk zijn om effectief te interveniëren in de beeldvorming rond een doelgroep of thema. Dit kan zowel bedoeld zijn om te populariseren als om te demoniseren.

Ik wilde mijn blog deze week wijden aan het Transitiearrangement. Maar dat moet even wachten. Ik kan namelijk de kwestie van de demonisering van de combinatie van jeugdzorg en gemeenten niet aan mij voorbij laten gaan. Demonisering van de combinatie van jeugdzorg en gemeenten? Jawel.

Het begon deze week met een kop in het AD: “Rapportage Jeugdzorg Nederland rammelt”. Volgens het bijbehorende artikel plaatst jeugdzorg kinderen soms ten onrechte uit huis vanwege onjuiste rapportages. Dat althans beweren – volgens het AD – advocaten, Kamerleden en hoogleraren. Het kan toeval zijn, maar de daarop volgende dagen anticipeerde de medische jeugdzorg met veel verbaal geweld en horrorbeelden op het negatieve sentiment dat hiermee gekweekt werd.

Er zal de komende jaren namelijk het nodige veranderen binnen de Jeugdzorg. Het kabinet herbevestigde in juli jongstleden namelijk het ruim anderhalf jaar geleden genomen besluit om alle vormen van jeugdzorg vanaf 1 januari 2015 over te hevelen van het Rijk, de provincies en de zorgkantoren naar de gemeenten.

Aanleiding voor het kabinetsbesluit is dat de verkokering in de jeugdzorg de Tweede Kamer een doorn in het oog is. In diverse probleemgezinnen komen meerdere hulpverleners over de vloer. Elk met hun eigen specialisme. De afstemming laat daarbij veelal te wensen over. Een andere klacht is dat goed te verhelpen opvoedproblemen soms te laat worden onderkend, omdat er te weinig laagdrempelige voorzieningen zijn voor ouders.

Onder de kop “Nieuwe Jeugdwet is ‘absurde paradox’ blogt Lode Wigersma, directeur van de KNMG: ‘het wetsvoorstel heeft geen aandacht voor integrale medische zorg, zelfs geen plaats voor de jeugdarts, maar verschuift wel de jeugd-GGZ naar de gemeente.’ Het wetsvoorstel lijkt – volgens hem – alleen te gaan over gedrags-, psychische – , verstandelijke – en opvoedproblemen. De medische aspecten worden zijns inziens vergeten. De ouderkoepel Transitie Jeugdzorg vanuit Ouderperspectief (TJO) blijkt het vervolgens eens met de petitie van een grote groep jeugdpsychiaters en hun brandbrief aan de Tweede Kamer; ze willen niet dat de Jeugd-ggz uit het basispakket van de zorgverzekering gaat en de lokale overheid de taak krijgt om te verwijzen naar psychische hulp. Waarbij zij suggereren dat gemeenten ambtenaren met een zesdaagse cursus tot jeugdpsychiater maken. Op http://www.artsennet.nl volgt direct een blog onder de titel: “Dokter Overheid en zijn assistent Gemeente”. Gemeenteambtenaren – zo wil dit verhaal – krijgen een basiscursus jeugdpsychiatrie om te beoordelen of jongeren geestelijke hulp nodig hebben. De lokale overheid – zo wordt gesteld – gaat op de stoel van deskundigen zitten.

Om misverstanden te voorkomen: ik beweer niet dat er niks misgaat in de zorg voor jeugd en gezin. Spijtige en soms onvoorstelbare incidenten logenstraffen een dergelijke stellingname. Maar het – door de aangehaalde criticasters van de transitie – gebezigde spookbeeld doet geen recht aan de immense inspanningen die uitvoerende professionals zich momenteel – samen met gemeenten – getroosten om op lokaal niveau tot laagdrempelige, samenhangende zorg voor jeugd en gezin te komen. De inzet daarbij is juist het vinden van de verbinding met de huisarts, kinderarts, kinder- en jeugdpsychiater en de arts verstandelijk gehandicapten. Zij willen die expertise eenvoudig en snel raadpleegbaar beschikbaar hebben. Daarbij worden zij echter gefrustreerd door de nu ‘moord en brand’ schreeuwende medici. Die overigens daarmee grote groepen van medici die hieraan wel willen meewerken oorverdovend overschreeuwen.

Binnen de nieuwe Jeugdwet valt de jeugdzorg in 2015 onder gemeentelijke verantwoordelijkheid. Over de doelstellingen van de stelselwijziging is menigeen het wel eens. Het nieuwe stelsel moet jongeren minder snel medicaliseren, moet meer ontzorgen en normaliseren. Niet de gemeenten moeten dat realiseren, maar de deskundigen. De gemeente maakt de organisatie daarvan mogelijk!

In het bijzonder groepen van medici binnen de GGz-sector zijn altijd al tegenstander geweest van de overdracht van de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg aan gemeenten. Dat is hun goed recht. En, eerlijk is eerlijk, hun lobby is aanhoudend en sterk georganiseerd. Desondanks lijkt – tot nu toe – die lobby vergeefs. Wat mij betreft terecht. Gewoon, omdat de logica van het gezonde verstand – in combinatie met vele onderzoeksrapporten en evaluaties – leert dat het dichtbij c.q. in de directe leefomgeving van de inwoners organiseren van noodzakelijke ondersteuning en zorg de meeste kans op duurzaam effect heeft. Nu de tot op heden gebruikte woorden tekort schieten, lijkt de GGz-lobby de tijd rijp te oordelen om over te schakelen naar een nieuw actiemiddel: het spookbeeld. Zij beoogt daarmee kennelijk ouders en jeugdigen, en vooral politici – want die gaan over het stelsel (en hun portemonnee) – te waarschuwen dat de jeugd (en hun ouders) de “speelbal” worden van gemeenteambtenaren. Waarmee een “enorme verzwakking of uitholling van de kwaliteit van zorg” wordt gerealiseerd.

Ik wil de goede bedoelingen van deze criticasters niet in twijfel trekken. Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat zij – met de 250.000 kinderen die onder behandeling zijn bij de jeugd-ggz en hun ouders als dekmantel – eerder zorg hebben over de gevolgen van de stelselwijziging voor de omzet dan voor de kwaliteit van zorg.

De bovenstaande tekst teruglezend realiseer ik mij zeer wel dat ik – anders dan te doen gebruikelijk – stevige uitspraken doe. Ik doe daarmee wellicht veel goedwillende en meedenkende professionals tekort. Waar dat het geval is, spijt mij dat oprecht. Tegelijkertijd meen ik dat de door de criticasters gecreëerde beeldvorming – ik vermijd liever het woord ‘lastercampagne’ – om een even stevig tegengeluid vraagt.

Wat ons allen te doen staat, is het gesprek met elkaar aan te gaan en elkaar op inhoud te vinden. En dan, zo is mijn overtuiging, zal blijken dat er veel misverstanden zijn. Als wij die uit de weg kunnen ruimen, en samen onverstoorbaar doorpakken op de ingeslagen weg – het realiseren van geïntegreerde ondersteuning voor ouders en kinderen – kunnen de medici de komende jaren, samen met al die andere hulpverleners, de cruciale rol (gaan) spelen die zij voor zichzelf (terecht) zien weggelegd bij de omvorming naar duurzame zorg voor jeugdigen en hun gezinnen. Met behoud van betaalbaarheid en leveringszekerheid.